Weblog2
Woensdag, 25. Augustus 2010 - 08:15 Uur
Opa's brief aan nichtjes Dina en Heintje 1955- 1

Eén van de mooiste foto's van opoe Eggink.
Barchem 11 februari ‘55
Lieve nichtjes Dina en Heintje,
Al een paar dagen liep ik met het plan jullie weer eens te schrijven, maar daar kwam niet van, totdat ik me vanmorgen met de tijd vergiste. Ik meende dat ik me verslapen had en in plaats daarvan ben ik een uur te vroeg.
En dat wil ik besteden aan een begin van een brief aan jullie beiden. We zijn nu weer met mekaar goed op dreef, maar moeder is ziek geweest, maar nu weer zowat de oude. Och het was hoofdzakelijk een zware verkoudheid, door haar zwakke borst komt het bij haar altijd harder aan.. De dokter gehad, op het randje van longontsteking, zei hij, maar dat is goed gegaan. Ze komt er voormiddags al weer een poosje uit, gaat ’s middags wat rusten, dan staat ze weer op en blijft dan op tot we naar bed gaan. De eieren schoonmaken dat doet ze alweer, zie ik. Gelukkig. Och.. hoe ouder je wordt hoe moeilijker je elkaar kunt missen. En dat achterblijven, daar zie ik zo tegenop en als het aan mij ligt dan hoepelt Johan het eerst op. Maar we moeten het maar nemen zoals het komt; als het er aan komt moet je elkaar ook los kunnen laten. Dat kon uw moeder ook toen het met Hendrik niet meer ging. Dat krampachtig elkaar vast houden is ook verkeerd. In Eefde, vlakbij Hanna, stierf laatst een helemaal uitgeleefde vrouw. Lang heeft ze gelegen. Ze zei eens een keer tegen haar man:”Och Albert, waarom laat je mij niet gaan, gun je mij dat dan niet, laat me toch gaan..”. Nu is ze dan haar uitgeleefde lichaam kwijt, gelukkig. Een ander geval, jaren geleden. Een moeder ligt ernstig ziek. Haar dochter zit aanhoudend aan haar bed en bidt aldoor maar om genezing, ze hield zo zielsveel van haar moeder. Maar eindelijk valt ze door uitputting in een lichte dommel. Dan ziet ze ineens haar overleden tante staan en haar moeder naast haar. Die zegt tot tante: “Mijn dochter hield mij door haar gebeden vast, maar nu slaapt ze even en toen ben ik maar gauw weggegaan”. De dochter wordt wakker en ziet dat haar moeder dood is.
Wij kunnen het bidden niet laten, in zo’n geval helemaal niet, maar het mag geen zeuren of dreinen worden, we moeten het tenslotte ook uit handen kunnen geven. Dat gaat niet gemakkelijk, maar als je het doet, is het een rust, een weldaad voor de zieke.
Jan en Jantje zijn al opgestaan, dus moet ik de kop maar weer door het haam steken. Begrijp je wat ik daarmee bedoel? Een emmer bij de kop pakken en onder de beesten gaan. Ik kan altijd nog goed en ben blij dat ik Jan nog helpen kan, we hebben de boerderij eigenlijk te groot gekregen. Eerst toen we de grond van De Wildenborch kochten, was het allemaal bos, op een stuk weiland na. Toen aan het ontginnen, al maar door. Op het laatst toen Herman naar Amerika ging, zetten we er de Heidemaatschappij aan en nu is alles in cultuur, op een klein stukje bos na, daar vlak bij Dika haar huis. Dat laten we zo, Dika vindt het zo fijn in het voorjaar de nachtegaal weer te horen. Altijd zit er één stel. Het schijnt dat de jongen de wereld maar in gaan net als de Jagerskinderen. Ik denk dat Alfons nu gauw zijn doel zal hebben bereikt en Bernard is allang weer in Amerika. Herman schreef in zijn laatste brief nog dat hij dankbaar was dat God hem in dat goede land gebracht heeft…
Dinsdag, 24. Augustus 2010 - 23:20 Uur
Adriana Carolina Frederika
Ik ben blij met alle reacties, maar wanneer dat ook nog een aanvulling is op mijn stukjes familiegeschiedenis is dat iets extra's. Harry Bruger weet meer van onze voorvaderen. Bedankt Harry.
Hallo Hetty,
Hier even een aanvullende reactie op jouw laatste transcriptie. Waarschijnlijk staat er in plaats van Meenink "Weenink":
De hier genoemde dochter van uw overgrootvader is:
Everdina Hendrika, geb. 23-07-1865 te Ruurlo in huis no. 11 wijk F. (Mij is onbekend waar dit is). Everdina Hendrika trouwt 22-08-1895 met Willem Carel Weenink, waarna ze d.d. 2-12-1896 te Coevorden bevalt van een dochter "Adriana Carolina Frederika Weenink".
Everdina Hendrika is d.d. 26-12-1903 overleden op De Krim (gemeente Gramsbergen). Waarschijnlijk is haar vader Jan middels de brief van 27 december hiervan op de hoogte gebracht?
Willem Carel hertrouwt vervolgens 13-08-1904, maar overlijdt ook op jonge leeftijd op 10-01-1905.
Zo is Adriana Carolina Frederika op haar negende al wees.
groeten,
Harry Bruger [zonder trema, umlaut, of puntjes op de u]
Vinden jullie nou ook dat Adriana Carolina Frederika een behoorlijk chique naam is. Je vindt ze in de Egginksfamilie niet. Die Weeninks lijken geen boerenfamilie.
Dinsdag, 24. Augustus 2010 - 08:22 Uur
Opa Albers

Ik weet niet meer waar Joop deze brief vandaan getoverd heeft. Het is het oudste exemplaar tot nu toe uit onze familie- januari 1904, een brief van de vader van opa’s moeder, je weet wel… die niet bromde toen de aardappel van opa door de schoorsteen in de pan rijstsoep was terechtgekomen en voor een grote smeerboel had gezorgd. De moeder van opa Eggink heette Jenneke Albers en haar vader noemde zich Jan Aalbers. Hij was rentmeester in De Krim. Als hij deze brief schrijft is zijn vrouw Hendrika Johanna al overleden in 1892. Hij schrijft over een kind van Dientje, waarschijnlijk zijn dochter Everdina Hendrika geb 1865. Ik heb een stukje uit de genealogie van Harry Brüger geleend om dit onderdeel te verduidelijken. Harry bedankt!
De Krim 22/1 1904
Waarde Kinder en Kleinkinder!
’t Is te lang dat ik gewacht heb Uw brief van 27 December 1903 te beantwoorden. Maar ik heb zoo veel te schrijven en soms verzuim ik het ook.
Den 8e Januari ben ik nog weer naar Pruisen geweest, hoe moeilijk mij het reizen ook valt en dan ben ik de 13e weer op verzoek per telegram weer naar Zutphen gestoomd. Mijn plan was u een bezoek te brengen, maar ik had die keer geen tijd. Staat te wachten dat ik binnenkort er nog weer heen moet en dan zal ik U wel eens komen verrassen..
Dat kind van Dientje is bij een broer van Meenink en, zo ik verneem, best op zijn plaats. Daar zijn nog kleine kinder en nu gaan ze zaam ter school.
Meenink is voornemens het hele huisraad te verkopen, dat Dientje weg is kunt ge aan hem niet bespeuren.
Intussen dank ik U beleefd voor de lekkere koekjes, hopende dat gij mij a.s. zomer nog eens zult komen bezoeken.
Als ik dood ben koomt gij; maar daar heb ik dan niets aan. Daarom terwijl ik nog leev- mijne dagen zijn geteld.
Hopende gij allen dezen in goede gezondheid zult ontvangen ben ik
Uw Vader J. Aalbers.
10
Albers, Jan; hij werd geboren te Ruurlo, 2 november 1825, overleden te De Krim, 19 mei 1913, zoon van Jan Albers (zie 20) en Hendrika Hillebrants (zie 21).
Hij trouwde te Ruurlo, 21 juli 1849 met
11
Hofs, Hendrika Johanna; zij werd geboren te Gendringen, 6 juni 1828, overleden te De Krim, 30 december 1892, dochter van Cornelis Hofs (zie 22) en Wesselina Navis (zie 23).
Kinderen: 1849 Albers, Hendrik Jan
1851 Albers, Cornelia Wilhelmina
1853 Albers, Jenneken [5]
1856 Albers, Wilhelmina Johanna
1858 Albers, Jan
1865 Albers, Everdina Hendrika
1868 Albers, Jan Willem
Wanneer je op de titel klikt krijgen jullie de website van Harry Brüger met de stamboom van o.a. de van Middelkoops èn de Egginks te zien.
Maandag, 23. Augustus 2010 - 20:11 Uur
Brief van opa aan zijn nichtjes in het klooster 1952--2

Mies en Gijs met de oudste twee: Harry en Peder. Siefertje is dan nog niet geboren.
Nu even verder, ze zijn weer met een lege wagen de kamp in. Ik filosofeer graag en als ik dan zo over alles nadenk dan moet ik zeggen dat het leven veel eenvoudiger begint te lijken dan 30, 40 jaar terug. Doe je iets goeds, je wordt in je geweten direct beloond, doe je wat verkeerds, je geweten spreekt je er onbarmhartig op aan en zo leren wij door de builen en de schrammen heen wat de weg naar het leven en het geluk is. De mensen maken de dingen graag ingewikkeld om op zo’n manier de consequenties van het geweten te ontlopen, wat ondertussen al heel slecht lukt. Die oorlogsmannen menen de wetten van het leven te kunnen verschalken door grote woorden als vaderlandsliefde, heldenmoed en zulke grapjasserij meer, maar de eenvoudigste mens weet in zichzelf dat dit bedrog is, dat het levensgeluk niet wordt gediend door geweld en wantrouwen maar dat het afhankelijk is van eerbied voor mekaars leven te hebben, door in te zien dat die ellendige mohammedaanse spreuk : ( Het doel heiligt de middelen) heidens is, dat we alleen voor onze daden verantwoordelijk zijn maar niet voor de gevolgen. O… die mohammedaan, wat kijkt die overal nog door de knoopsgaten heen.
Een ziekenhuis moet vergroot worden maar er is geen geld. Collectes huis aan huis, wanneer komen we dan klaar? Nee… een loterij uitschrijven, speculeren op de gokzucht van jan publiek … en het loopt op rolletjes. Maar het is mis. Jullie kerk, onze kerk, iedere keer als het ze begint te knijpen zijn ze mohammedaan! Ja maar het is de enigste kans om wat geld los te krijgen. Dat zeggen onze generaals ook op hun terrein, oorlog. Ja het is een vies zaakje en het is naar, het is verschrikkelijk. Maar wat mot je, je kunt toch je land maar niet plat laten lopen door de Duitser of nu door de Rus? En het eind van het lied is dat de mensen die allemaal kindertjes zijn van één Vader mekaar met alle mogelijke middelen maar vermoorden. Ze noemen dat dan wat anders. Ze noemen het buiten gevecht stellen, in de pan hakken en meer van zulk fraais. Wat zijn wij mensen toch maar bedroefd klein, in alle mogelijke bochten wringen, dat graag, maar in de praktijk op God vertrouwen? Ho maar!
Met de natuur doen die slimme mensen net zo. Vruchtbomen spuiten tot er geen sijsje meer aan de kost kan komen en als we dan niet spuiten al wat we kunnen, vreet ons het ongedierte op.
De Amerikaanse soldaten hadden een eiland bezet, maar wilden die lastige vliegen eens voorgoed weg hebben en dat lukte hen ook. Met gevolg dat eerst verschillende kevers en insecten uitstierven en daarna de vogels en alle andere dieren. Dat eiland werd toen een woestenij.
Maar zou ik niet eens ophouden met dat gekanker en nog wel in een brief aan een paar goeie nichtjes. Ik kan er niks aan doen, dat zat me allemaal zo dwars, doch ik heb er niks bij gewonnen, het zit me nog evengoed dwars.
Verleden week kregen we van Bernard een prachtige trouwfoto, dat was de moeite waard. Ik denk Riek zal het eerst wel warm vinden, maar dat went gauw. Een mensenlichaam weet zich nog wel gauw aan te passen aan veranderde omstandigheden. Eén ding is al dadelijk gelukkig, ze had geen tijd om aan heimwee te denken, zo druk was zij, dat is prachtig. Een hoop jonge vrouwen daar hebben te weinig omhanden, turen maar door de ruiten en zitten weer met hun gedachten in dat oude Holland en dan heb je de poppen aan het dansen: heimwee. En ik vertel u wie dat goed te pakken heeft: dat is naar. Ik heb er toen wel het een en ander van gezien en gehoord. Maar hun kinderen lachen hen uit, die zijn altijd blij met hun nieuwe country.
Nu is het dan weer avond, goed opgeschoten met de rogge, maar droog was anders. Maar hadden ze het langer laten staan om piekfijn droog te worden had het morgen beslist geregend.
Ach neem je je regenjas mee dan blijft het droog en laat je die in goed vertrouwen thuis, dan krijg je de pokkel nat.
Ik heb laatst wel gemerkt dat uw moeder er niks blij mee is dat Antoon ook naar Amerika wil en ik kan dat best begrijpen. Bram wil al zolang naar Australië. Doch ik, en moeder nog meer, zijn in stilte maar wat blij dat het hem nog niet lukken wil. Verlopen zondag met moeders verjaardag is hij met zijn vrouw nog bij ons geweest. Het staat hem bij de KLM wel beter aan dan het geweest is. Het zal ook wel schelen, hij is van ’t winter ongevraagd nog weer bevorderd. Hij staat nu wat het werkend personeel betreft, boven aan. Uw moeder is pas nog bij u geweest zodoende kan ik over de Jager geen nieuws vertellen.
Bij onze jongste dochter Mies is laatst een bijna tweejarig jongetje gestorven, dat zijn heel moeilijke dingen voor ouders, het was zo’n lief en bijdehand kereltje. Hoe eerder we zulke dingen uit handen kunnen geven hoe eerder wij getroost worden
Gelijk de aarde rust in de donzige armen van de atmosfeer
Alzo rust mijn ziele, o wonderlijk lot…
In God.
Een klein gedichtje, waarvan ik veel houd.
Dina, Heintje, mijn beste wensen voor jullie en hartelijk gegroet , Johan
Maandag, 23. Augustus 2010 - 08:07 Uur
Brief van opa aan zijn nichtjes in het klooster 1952--1

De Boskamp.
Deze brief van opa aan zijn nichtjes Dina en Heintje van de Jaeger vind ik vooral interessant door het beschrijven van zijn jeugdherinneringen. Samen met broer Hendrik en later zus Hanna groeide hij daar op. Hendrik bleef op de Jager wonen samen met Bartje en ze kregen 10 kinderen net als opa Johan en opoe Dientje op de Boskamp.
Barchem, 31 juli 1952.
Beste nichtjes Dina en Heintje,
Een mooie tijd is het al weer geleden dat ik jullie eens schreef. Ik zal deze brief wel niet afmaken, ik denk dat Jan het paard voor de wagen zal zetten om rogge te halen, maar eigenlijk is ze nog niet droog. Het heeft eergisteren nog eens ouderwets geregend, maar allo… ik begin.
Het leven gaat maar door, je valt steeds maar door van het ene werk in het andere. Vakantie kent de boer niet, ook al net zo min als jullie beiden en bij de Jager kennen ze dat ook niet. Moeder en ik zijn er verlopen zondag voor een week nog geweest, ikzelf kom er nog wel eens vaker. Die vertrouwde grond waarop je als kind hebt gelopen vergeet je niet en het is gek, maar bij het ouder worden neemt dat eerder toe dan af.. Die boog van blauwe beuk staat er nog net als voor 70 jaar, een beetje breder uitgegroeid misschien.
O… die herinneringen uit je kindheid. Ik weet nog hoe Hendrik en ik op een zondagvoormiddag daar bij het kippenhok stonden en met rotte aardappels mikten op de schoorsteen om daarin te gooien wat natuurlijk een honderdste tref was. En waarachtig ik had geluk. Ik hoorde rommerdebom door de rookverdrijver die er toen nog stond en meteen bedenk ik dat moeder een pot met rijstsoep op het vuur had. Ik hol naar binnen:”Moeder, ik heb een aardappel in de schoorsteen gegooid”. “Ja”, zegt ze,”dat weet ik al”. Alles was roet, toen kon moeder de boel gaan opruimen en opnieuw beginnen. Of het nu kwam omdat ik dadelijk alles eerlijk vertelde, weet ik niet, maar ik kreeg helemaal geen brom.
Ik weet ook nog dat we beiden op de singel liepen en daar achteraan links zit nog wel eens vis in de sloot en ik zie daar een snoek staan. Ik kon Hendrik toch maar niet aan het benul brengen waar die stond en op het laatst neem ik een stokje en zeg tegen hem:’Ik zal er naar gooien en dan kun je hem zien wegspringen’, en laat ik hem nou precies op zijn kop treffen!! Nou, hij was beduizeld en komt met de buik naar boven. Met een stuk tak trek ik hem naar de kant en ik had hem. Weet je wat we toen gedaan hebben? Omdat het zo’n uitzonderlijk geval was hebben we hem daar achter op de singel netjes schoongemaakt, middendoor gesneden en rauw opgegeten.!! En we verzekerden elkaar dat hij lekker was. Het was wel iets anders. We moesten ons geweld aandoen om dat door de keel te krijgen!!!
Een keer loop ik met een strikje aan een stok door Heuvelinks rommelkast, je weet wel.. die kolken daar achter onze weide, en daar zie ik een kanjer van een snoek staan, zo’n grote had ik nog nooit gezien, ik kreeg er hartkloppingen van.. Ik denk:proberen of ik hem met de strik kan raken en dat lukte, maar bij het ophalen ging het door de draad, hij was te zwaar. ( dus geen visserslatijn! ) Hij viel vlak voor mijn klompen en ik greep hem en dat er mee naar huis. Dat was dan dat, maar ik wist er niets van dat je jongens van de Könning en van Olthuis afgesproken hadden die kolk eens onder handen te nemen om die snoek die zij wisten dat er in zat. Och wat hadden die arme jongens een pech, die snoek wou maar niet boven komen, want die lag bij de Jager in de melkkamer. Maar ik wist van de jongens hun plannen niets af, anders was het een lelijke streek geweest van mij. Ik heb het hen later met hangende pootjes verteld en ze namen het me niets kwalijk.
Tja dat zijn van die jeugdherinneringen die bij het ouder worden weer naar boven komen.
Wat is dat allemaal toch een raadsel dat je in je hoofd ergens een vakje hebt waar al die herinneringen van lang geleden, als foto’s, netjes worden bewaard. Maar wat begrijpen we eigenlijk dan wel, die bloemen voor het huis en die bij mij in de vensterbank, ze bloeien maar, stil en tevreden. En die akker maïs daar verder die zo baldadig lang wordt dat we van de Broekdijk niets meer kunnen zien. Die kleine kindjes die geboren worden, kleine schreeuwende klompjes vlees, later is het een kei van een kerel die van zich af commandeert of hij de wereld geschapen heeft.
Ik zie, Jan is net met onze daghuurder de kamp in, haalt een vracht rogge en dan straks bij de berg dan kom ik er bij te pas. Een heel verschil, Hendrik is nu al ruim zes jaar in de geestelijke wereld, zijn lichaam was helemaal op, en ik kan nog hele dagen werken, alleen ik word wat eerder moe. Nu tot later…
slot volgt
Worden jullie nu ook, net als ik, nieuwsgierig of die boog van blauwe beuk bij boerderij De Jager, zoals opa die omschrijft, er nog steeds is?
Nieuwe bijdrage Oudere bijdrage