Opa’s brief aan nichtjes Dina en Heintje 1955- 1

Eén van de mooiste foto’s van opoe Eggink.

Barchem 11 februari ‘55

Lieve nichtjes Dina en Heintje,

Al een paar dagen liep ik met het plan jullie weer eens te schrijven, maar daar kwam niet van, totdat ik me vanmorgen met de tijd vergiste. Ik meende dat ik me verslapen had en in plaats daarvan ben ik een uur te vroeg.
En dat wil ik besteden aan een begin van een brief aan jullie beiden. We zijn nu weer met mekaar goed op dreef, maar moeder is ziek geweest, maar nu weer zowat de oude. Och het was hoofdzakelijk een zware verkoudheid, door haar zwakke borst komt het bij haar altijd harder aan.. De dokter gehad, op het randje van longontsteking, zei hij, maar dat is goed gegaan. Ze komt er voormiddags al weer een poosje uit, gaat ’s middags wat rusten, dan staat ze weer op en blijft dan op tot we naar bed gaan. De eieren schoonmaken dat doet ze alweer, zie ik. Gelukkig. Och.. hoe ouder je wordt hoe moeilijker je elkaar kunt missen. En dat achterblijven, daar zie ik zo tegenop en als het aan mij ligt dan hoepelt Johan het eerst op. Maar we moeten het maar nemen zoals het komt; als het er aan komt moet je elkaar ook los kunnen laten. Dat kon uw moeder ook toen het met Hendrik niet meer ging. Dat krampachtig elkaar vast houden is ook verkeerd. In Eefde, vlakbij Hanna, stierf laatst een helemaal uitgeleefde vrouw. Lang heeft ze gelegen. Ze zei eens een keer tegen haar man:”Och Albert, waarom laat je mij niet gaan, gun je mij dat dan niet, laat me toch gaan..”. Nu is ze dan haar uitgeleefde lichaam kwijt, gelukkig. Een ander geval, jaren geleden. Een moeder ligt ernstig ziek. Haar dochter zit aanhoudend aan haar bed en bidt aldoor maar om genezing, ze hield zo zielsveel van haar moeder. Maar eindelijk valt ze door uitputting in een lichte dommel. Dan ziet ze ineens haar overleden tante staan en haar moeder naast haar. Die zegt tot tante: “Mijn dochter hield mij door haar gebeden vast, maar nu slaapt ze even en toen ben ik maar gauw weggegaan”. De dochter wordt wakker en ziet dat haar moeder dood is.
Wij kunnen het bidden niet laten, in zo’n geval helemaal niet, maar het mag geen zeuren of dreinen worden, we moeten het tenslotte ook uit handen kunnen geven. Dat gaat niet gemakkelijk, maar als je het doet, is het een rust, een weldaad voor de zieke.
Jan en Jantje zijn al opgestaan, dus moet ik de kop maar weer door het haam steken. Begrijp je wat ik daarmee bedoel? Een emmer bij de kop pakken en onder de beesten gaan. Ik kan altijd nog goed en ben blij dat ik Jan nog helpen kan, we hebben de boerderij eigenlijk te groot gekregen. Eerst toen we de grond van De Wildenborch kochten, was het allemaal bos, op een stuk weiland na. Toen aan het ontginnen, al maar door. Op het laatst toen Herman naar Amerika ging, zetten we er de Heidemaatschappij aan en nu is alles in cultuur, op een klein stukje bos na, daar vlak bij Dika haar huis. Dat laten we zo, Dika vindt het zo fijn in het voorjaar de nachtegaal weer te horen. Altijd zit er één stel. Het schijnt dat de jongen de wereld maar in gaan net als de Jagerskinderen. Ik denk dat Alfons nu gauw zijn doel zal hebben bereikt en Bernard is allang weer in Amerika. Herman schreef in zijn laatste brief nog dat hij dankbaar was dat God hem in dat goede land gebracht heeft…