“Het is nergens zo mooi als hier”, placht Jans te zeggen als we het er af en toe over hadden om er op uit te trekken. En daarbij wees hij dan met een breed gebaar over zijn landerijen en de pony’s. Vroeger had hij ook nog een koe, Doortje 32, een goedzak. Die hadden ze aangehouden toen ze met het melkvee stopten. Een gedeelte van hun land was opgekocht voor de industrie en Jans ging halve dagen buiten de deur werken. De hele familie profiteerde van de melk van Doortje 32. Wij ook. Het was zo’n gruwelijk makkelijke koe, pochte Jans. Hij zette ’s avonds om 6 uur de emmer er onder, ging koffie drinken en een kwartier later zat de emmer vol, zo hield hij vol. Ik had mijn bedenkingen. ‘Nou… geleuf -ie et niet? Zölle wij een wedje maken? Veur een slagroom taartje?‘ Daar was Jans gek op. Dat wou ik wel eens zien. De volgende dag was het zover. Wij tegen zessen met een slagroomstammetje naar de buren. En ja hoor Jans zette om klokslag 6 uur de emmer onder Doortje 32, de dichte melkemmer van de melkmachine wel te verstaan. We gingen aan de koffie en ja hoor na een kwartier was de emmer vol. Toen was er taart bij het tweede kopje. Jammer, Doortje 32 kreeg telkens melkziekte na de geboorte van een kalf. En Doortje ging en een andere koe kwam, maar die kon niet aan Doortje tippen en nu zijn de koeien allang verleden tijd bij Jans en Geesje. De pony’s zorgen nu voor de afleiding.
