Gezegden ontstaan vanzelf. Als je een tijdje een kreet hebt aangehoord wordt het vanzelf een spreekwoord die blijven zal. Vanmorgen las ik op de Achterhoekse spreukenkalender:
Hee wet neet an wat veur ’n post hee zich schobben zal.
Daarmee wordt iemand bedoeld die radeloos is.
Als je op het platteland bent opgegroeid zie je meteen de rikkesposten voor je die om een weiland stonden. Als vader Hein ging vrochten betekende dat hij de vrocht, de omheining van de weiden, naliep op breuken of kapotte palen en ze ging repareren. Die palen waren vroeger vaak stukken boomstam die in vieren gespleten waren en een vaak lekker scherp randje hadden. De koeien en paarden mochten zich er graag eens lekker tegen aan schurken bij jeuk op de huid.
En wat doe je zelf als het je ergens op de rug jeukt en je hebt niemand bij de hand om je eens even lekker te krabben. Dan is elke deurpost meegenomen. Wijzelf hebben voor noodgevallen nog een krabhandje liggen.
Voor de pony’s hadden we een paar oude bezems tegen de ponystal getimmerd en daar werd dankbaar gebruik van gemaakt, want de tijd van de rikkesposten is voorbij. Je ziet nu alleen maar gladde kant en klare palen. Tja… en bedenk eens een Nederlands woord voor rikkespost. Weidepaal misschien? Maar dan zie ik niet die ouderwetse rikkespost voor me met die scherpe rand. Zo zijn er meer woorden in gebruik die je niet zo ineens in het Nederlands vertaald.
Tijdens een koetsentocht met paard en in stijl geklede inzittenden in Vorden werd er een stop ingelast bij kasteel de Wildenborch. Degene die de boel begeleidde wees de weg naar de uitgang en zei: En dan gaat u bij het volgende hekkesgat er weer uit. Iedereen begreep dat.