Daar ging Wim dan. Voor de 8e keer bracht ik hem naar boven naar de 3e verdieping naar de speciale afdeling voor de chemo en immunotherapie, tas met telefoon, krant en de Merci chocolade. ‘Die geef ik meteen maar aan Annie’, besliste Wim. Zij zorgt voor de inwendige mens en verwennerijen op deze afdeling. Wim belt wanneer ik hem kan ophalen, zal wel ongeveer 2 uur worden.
Op de terugweg ga ik even bij de zwemgroep aan die net aan het koffierondje toe zijn, altijd goed voor een gezellig half uurtje. Mijn stoel staat al aangeschoven.
‘Heb jij iets met je tanden?’, vraagt er eentje die me wat zorgvuldiger bekijkt. ‘Ik dacht het ook al’, zegt een ander. Ach ja… mijn ondergebitje. ‘Gisteravond had ik er last van en deed het even uit. Voor alle zekerheid deed ik het alvast in mijn tas voor morgenvroeg, want dat is altijd een drukke boel als we op tijd weg moeten. En ’s morgens wordt er niet zoveel gepraat tussen ons als we uiteindelijk aan de kwark zitten. En willen we op tijd weg, dan denk ik er misschien zo gauw niet aan’.
Zo komt het dat ik er wat gehavend uitzie. Het geeft herkenning hier, ook leuk.
‘Nou’, zegt een van hen, ‘het is nog niet zo erg als bij een vriendin van me. Als ik daar op bezoek kom loopt ze eerst naar de keuken om haar gebit in te doen. Op een keer moest ze weg met de auto en eenmaal weg kwam ze naar één straat verderop al weer terugrijden. Ik ben mijn gebit vergeten, had ze gezegd en wilde al naar binnen gaan. Dat ligt nog op de auto, had haar man opgemerkt’. Ze had flink geluk gehad.
Ik doe een graai in het aparte vakje van mijn tas, grijp mijn hulpstuk en doe ik in. Dan kan ik ook weer lachen zonder commentaar!