Zolang we aan het Schoolpad woonden hadden we schapen in de wei. En als je die hebt krijg je ook lammeren en altijd was er wel een lam dat beter aan de fles kon. Toen de schapen van Rob onze weilanden bevolkten kwamen er meer fleslammeren. Heb ik altijd geweldig gevonden. Eerst een paar dagen in het nest in de keuken en dan naar de schuur en de wei. Die keer waren de fleslammeren al aardig groot en hadden ze niet zo vaak meer een flesje nodig. Alleen de ene kleine.
‘Ach Wim, pak jij die kleine even voor me?’, vroeg ik Wim die keer. De kleinste was nog te jong om met voedingen van twee keer per dag genoeg melk binnen te krijgen. Z’n maag en darmstelsel waren nog niet gewend aan wat grotere hoeveelheden. Hij was bij zijn eigen moeder flink tekort gekomen. Of dat aan moeder ooi lag of aan het rammetje was niet echt duidelijk, maar in elk geval bleef het nog steeds bij kleinere porties. Ook in de loop van de middag kreeg hij nog de fles.
Daar hadden we het volgende op gevonden…, we namen die kleine bij de ochtend- en avond voedingen eerst en als hij niet meer op kon na 250ml lieten we hem gewoon lopen tot de rest de boel naar binnen gewerkt had en daarna kon er bij deze kleine ram weer 100 of 150 ml in.
Maar telkens als ik Wim met dat kleine Schoonebeker lammetje op de arm zag moest ik aan de plaat van de Goede Herder denken die in het Bijbelverhaal net zolang zocht tot hij het verloren lammetje teruggevonden had. Op die bekende plaat draagt hij het lam om z’n nek, heeft er waarschijnlijk een afstand mee af moeten leggen. Wim niet, die gaf hem aan over het gaas terwijl de anderen ietwat gefrustreerd toekeken hoe die kleine z’n eerste portie naar binnen werkte.
De grootste lammeren waren al aan het afbouwen met de melk en dat stond ze nog niet erg aan. Het scheelde dat er ook lammerenbrok in de schuur stond en dat ging er altijd grif in. De tijd van vertroetelen was voor hen voorbij, ……..alleen die kleine nog…
