Zo tegen 8 uur elke morgen voel ik het neusje van Storm. Hij vindt dat het tijd wordt om wakker te worden. Zo heb ik geen wekker nodig. Bovendien wil hij ook graag even naar buiten. Het duurt toch al even voor ik zover ben. Ik schiet gauw mijn kleren aan en deze morgen gun ik me geen tijd om in de spiegel te kijken of mijn gebit uit het bakje te graaien. Storm staat al bij de achterdeur als ik zover ben. Ik grijp mijn stok die ik tegenwoordig als steun meeneem naar achteren. Eigenlijk zie ik nooit iemand achter onze tuinen lopen, maar dit keer….
Met dat ik het hekje open doe komt een buurman van verderop met zijn flinke uit de kluiten gewassen zwarte hond aan, een Newfoundlander. De hond heeft een dekje op met de naam Bommel. Ik voel me ongemakkelijk met mijn lege mond en mijn haar in alle richtingen. Toch maken we kort even een praatje. Storm is niet erg geïnteresseerd in Bommel en loopt al verder. Ook buurman met Bommel. Ik voel me betrapt… of zoiets, maar schiet meteen ook in de lach…
Toen we hier net woonden liep Wim even naar buiten, ik denk naar de containers en komt even later lachend weer binnen. ‘Dat is mien ok wat hier…’
‘Nou wat is ’t er dan, kan nooit zovölle biezunders wean’. Wim grijnsde nog even bij de gedachte. ‘Ik lope net buten en zie daor een buurvrouw van iets verderop de hond uutlaoten…. in pyjama!’ Tja…
Kan dus allemaal hier, maar sinds deze ontmoeting neem ik één minuutje meer tijd voor een graai in het bakje èn de kam, voor ik de achterdeur uit ga.
Heb Bommel nog niet weer gezien.
