Hetty Site

Een stukje uit de brief aan de beide zusters Odile en Elisia,1941

foto: schoonmoeder Jansen, voor de kinderen: ommo.

Het is toch zo’n lief bezit, dat gedichtenboekje van Dina, maar ook een weemoedig bezit. Ik denk net ook aan dat andere gedichtje dat zij en Jo samen zongen op de wijs van: O, zwarte zigeuner. Dat klonk dan zo mooi en zo teer.
Het eerste versje luidde:
Vredig stil is d’ avond,
Vriendlijk lacht de maan,
Terwijl ze een lichte wolkenschaar
Voorbij laat gaan.
En zo zou ik nog zoveel willen opschrijven. Maar och.. die dingen hebben voor ons zo’n waarde omdat ze van haar zijn uitgegaan. Ze had niet altijd veel te vertellen, de dagelijkse dingen interesseerden haar ook nooit erg, maar ze zat zo graag in gedachten stil weg te mijmeren en liet haar geest dan maar gaan. Ik geloof dat ze zich dan altijd gelukkig voelde. En ik denk, zo gaat het alle mensen die ogenblikken van in zichzelf gekeerd zijn, zijn een verkwikking. En dan kun je weer verder.
Als je zo eens onder de mensen komt en je bestudeert de gezichten van die drommen voorbijgangers waaraan maar nooit een einde lijkt te komen, dan leer je veel. De meeste vertonen vermoeidheid, sommigen dodelijk vermoeid, ook velen zo’n matte onverschilligheid alsof ze zich nergens meer voor kunnen interesseren. Enkelen ertussen kunnen je goed doen. Zo’n nauw merkbare glimlach, die kalme gang, die ogen die verder schijnen te zien dan de straat lang is. Zulke mensen stralen licht uit, zijn een zegen al zeggen ze weinig of niets. Daar hoorde mijn schoonmoeder ook bij. Hebben jullie haar nog gekend? Dina misschien wel. Ze is in 1929 overgegaan. Toentertijd heb ik haar innerlijk wel eens beklaagd, als ze daar zo urenlang kon zitten in haar stoel, maar stil voor zich uit starend, maar nu begrijp ik dat beter. Ach ja, het leed dat over de mens komt, laat wel wat na. Je leven wordt dieper, je leert beter door de dingen heen te zien, niet aan de stof blijven hangen.
Maar ik zal wel weer eens aan het werk moeten. Moeder heeft de thee zowat klaar. We worden met dit betere weer opnieuw druk.
Als de vruchten groeien, groeit het roet ook. Ik moet er dezer dagen nog wel eens aan denken dat de stadsman de boer tegenwoordig met andere ogen aankijkt dan vroeger. Vroeger was het: domme boer, lelijke kaffer, maar tegenwoordig ben je de man waar alles om draait. Daar in Eefde, waar Hanna getrouwd is, daar krijgen ze zo’n aanloop van stadsmensen, vooral om aardappels. Vermakelijk is het als je sommige geschiedenisjes hoort. Zo houdt bv een politieman een vrouw aan. Die heeft zo’n zware tas in haar hand: ”Zeg moedertje wat zit daar in die zware tas”. “Aardappels”, zegt moedertje onverschrokken. “Zo… zo”, zegt de politieman, ”maar dat mag niet. Waar heb je die gehaald?” ”Die heb ik gehaald waar jij die ook gehaald hebt." Politieman af.
Nu ik zo tot jullie aan het schrijven ben, denk ik meteen: ik wou die nichtjes toch graag eens weer zien. Maar dat hoort zeker bij die vrome wensen. Jullie mogen ook niet terugkomen dan in heel buitengewone omstandigheden, meen ik. Ons protestanten lijkt dat niet goed, zoals je weet. Maar als jullie je erin kunt schikken, wel, dan moet het wel goed wezen. Onze Herman zou op dit moment ook niet in Holland kunnen komen.
Het is altijd mooi dat onze gedachten kunnen gaan waar ze willen. Ik voor mij geloof dat onze gedachten veel meer betekenis hebben dan over ’t algemeen wordt gerekend. Ik geloof dat we gedachten van liefde of gedachten van gebed uitzenden naar wie ons lief zijn, dan bereiken we die ook, of ze het merken of niet, en ook met zegen. Zo blijven we dus met elkaar verbonden hoewel we mekaar niet kunnen zien met stoffelijke ogen. En als jullie tot de heiligen bidt, met overgave en liefde, dan bereikt uw gebed diegene ook, tot wie het gericht was. Dit klinkt nu wel niet erg protestants, maar toch geloof ik het wel.
Maar laten we onze kerken maar voor wat ze zijn, ze hebben zeker alle hun gebreken al erkennen we dat van eigen kerk niet graag.
Jongens wat was ik indertijd verdrietig op broer Hendrik, en soms kwaad!- toen hij met de roomse Bartje wilde trouwen en r k werd.-
O man o man. Maar broer heeft het me allang vergeven en begrepen dat het voor broer Johan een bittere pil moest wezen. Maar nu is alles wel goed. We kunnen mekaar nu over de kerkmuren heen, best weer de hand geven. Ze hebben nu al een tijd een nieuwe radio gekregen, met, en dat is wat waard, met ultra korte golf.
Ik maak nu voor onszelf een apart apparaatje dat we dan aansluiten op het gewone toestel.
Het oude toestel bij uw huis heeft, in alle nederigheid, wel zijn best gedaan, maar het worm kon niet meer, het had zoveel ouderdomsgebreken dat het je ouders wel ƒ30 zou hebben gekost, voor het nog weer een beetje mee kon doen.
Bij uw huis is alles gezond. Ik kan nog wel eens komen, maar moeder fietst minder goed. We zijn er een tijdje geleden met kar en paard heen geweest en dat ging maar best. Koos stapte maar wat monter er naar toe. En als we er dan zo zitten komt het gesprek al gauw op de afwezigen. En dat zijn dan jullie beiden, en onze Herman en Dina.
Maar onderhand krijgt uw moeder nog wel eens een brief van een van u en zo blijven wij ook wat op de hoogte met het doen en laten van u beiden. Maar ik heb me er wel eens over verbaasd zoveel jullie op één velletje papier weet te plaatsen. Het is nu zaterdagavond geworden. Dat is toch altijd een prettige gedachte: morgen is het zondag. Daar heeft onze Dien ook zo’n mooi gedichtje op gemaakt. Ze was zo gaarne in de natuur en zoals ze in dat gedichtje over de zondag ergens zegt:
En als dan niemand met mij mee wil,
Dan ga ik met mijzelf – alleen.
O als er toch geen weerzien was wat zou dat vreselijk wezen, maar dat is Goddank wel. Nu raakt dit velletje ook vol, nu zal ik maar stoppen, zend je nog even ons aller groeten,
Uw ome Johan.

Hoe deze brief jullie beiden moet bereiken weet ik niet, omdat je niet bij elkaar zijt. Dus dan moet diegene die hem krijgt, maar verder sturen als het haar de moeite waard lijkt.