Ooit noemde ik een van de pups van Scott en Tessa Columbus. Dat was een echte ontdekkingsreiziger. Die was ik altijd kwijt, wist altijd nieuwe plekjes op en buiten ons erf te ontdekken, tot op het land van boer Bloeming. Wat later hadden we haar opvolger: een van de lammeren met dezelfde genen.
‘Hier heb je Jut en Jul’, zei Rob toen hij ze bracht. Dat doet je denken dat het wat sullige lammeren zijn. Integendeel dus. De zwarte had al gauw een kwetsbaar stuk in het gaas ontdekt en de witte kwam er snel achteraan. De weg naar ons huis vinden ze met de ogen dicht en zo stonden ze telkens voor de deur. Het kon niet zo zijn dat ze honger hadden, ze kregen genoeg. Maar zij vonden van niet dus. Het gat in het gaas was gauw gedicht maar de mazen in het gaas bleken net groot genoeg om zich er door te kunnen wurmen. Ze volgden alles wat benen of poten had want daar kwam de melk vandaan, hun instinct vertelde het.
Frank belde toen alweer dat hij in het voorbij fietsen die kleine aapjes alweer buiten de wei zag lopen. Ik had het geprobeerd met het instellen van het schrikdraad, maar dat voelden ze niet, zou wel ergens een draad kapot zijn. De twins zaten daarna al gauw weer in hun hok, konden ze bijslapen. Het duurde even maar toen we wat dikker waren pasten ze niet meer door de openingen van het schapengaas.
