
Precies 10 jaar geleden liepen er aan het Schoolpad veertien lammeren in de wei het dichtst bij huis, de fleslammeren van Rob. Zelf had hij er vijf aan de fles gehad, wij zes en toen kwamen er nog twee van een moeder bij die zomaar dood ging. En tot slot kwam er nog een smal ding bij die niet genoeg melk kreeg bij moeder ooi omdat het uier maar half meedeed. Intussen werden ze alleen nog bijgevoerd met lammerenbrok. Dat viel nog niet altijd mee. Wanneer wij de wei in kwamen werden we bestormd want wij betekenden melk en brokken voor ze. Je moest kijken waar je liep want je lag zo plat omdat je over één van de veertien struikelde. Wel een mooi gezicht was het als Wim met de brokken naar de stal liep. Ze bleven strak achter en om hem heen lopen. De kleinsten die ik het langst aan de fles had waren wat minder happig op de brokken, zij zagen mij vooral als de vrouw met de fles en wilden nog wel eens het hek uitschieten om bij mij om de melk komen zeuren. Het blijft een mooi gezicht. De andere ooien met hun lammeren liepen achterin. Regelmatig hoorde ik de kleine Herdwick blèren als die z’n moeder kwijt was. Door het hoge gras kon je hem bijna niet terugvinden. De dag ervoor blèèrde hij wel wat lang en ik was zo gek om poolshoogte te gaan nemen. Natuurlijk had hij toen net z’n moeder teruggevonden. Ik had hem gemakshalve maar Harold genoemd, paste mooi bij het eerste Herdwicklam Luella.