Zou iedereen dat kennen? Af en toe terugkijken naar wat je allemaal hebt meegemaakt tot nu toe? Het is bijna niet te bevatten. Het zijn stukjes die door mijn brein rollen. Veel mensen horen er bij… lieve mensen die me veel hebben gegeven, drukke mensen en mensen die van alles van je verwachtten. De afgebakende periodes hebben te maken met de plekken waar we woonden. Uit elke periode zijn er flitsen met gebeurtenissen of opmerkingen die zijn blijven hangen. Ken je dat?
De eerste jaren op de Haar was een warm nestgevoel, veilig. Het beeld dat papa Hendrik Jan een konijn aan de zolder vilde met omgeslagen mouwen en een vestje met puntjes. Het was net voor zijn ongeluk. Opoe en opa speelden een grote rol. Opoe bracht me de liefde voor de natuur bij. Ze liet me het nest van de gieteling in de heg zien. ‘Dee mag ie niet verstoren heur, want dan kump moder niet weer’. De tijd van de geschaafde knieën.
Dan de tijd op de Boomgaard. Het eerste wat Diny en ik deden op de trouwdag van mama met vader Hein was het uitproberen van ons nieuwe bed. De veters van onze nieuwe lakschoentjes waren in de knoop geraakt en konden niet uit, maar toch… even hup er in. Ik zie nog de latten voor het raam die vader Hein er voor had gespijkerd op verzoek van opoe. ’ Foi foi, as de kinder anders uut et raam valt’. Het bleef vertrouwd, opa en opoe waren mee verhuisd.
Op mijn 19e ging ik het huis uit, de grote wereld in. Dat was Hattem, behalve enigszins avontuurlijk voelde het ook daar veilig. Alleen mijn plan om maar eens per maand naar huis te gaan kwam niet uit. Het eerste jaar stond ik elke vrijdagmiddag met mijn weekendtasje bij de bushalte. De band met thuis op de Boomgaard was nog te sterk. Toen ik al gauw Wim op mijn pad tegenkwam en onze toekomst samen vorm begon te krijgen, begon een nieuwe periode. En zijn is pas de eerste 20 van mijn 80 levensjaren.
Foto: Mijn eerste zomer, 1944, nog met vader Hendrik Jan… èn Trixie die er wat ongegeneerd bijligt
