Huisbezoek

1963-Mijn eerste klas in Hattem had 43 leerlingen. Ik werd in het diepe gegooid en het ging. Al had ik de afgelopen 2 jaren wel stage gelopen, nu werd het pas echt. Het bleek een mooie tijd, maar het was wennen dat ik niet meer thuis woonde. Ik had een stoer plan om maar eens in de maand thuis te komen. Ik was immers volwassen. Maar de werkelijkheid was dat ik elke vrijdagmiddag om kwart over vier bij de bus stond met mijn weekendtasje en maandagmorgen vroeg opstond om regelrecht door naar school te gaan. Ik miste alles, mijn familie, de dieren, de boerderij en vooral ook het uitzicht. De vrijheid om van je af te kunnen kijken, maar vooral een thuis.

Dit had ik van mezelf nooit gedacht, ik was toch al 19 en dus volwassen. Ik had nog het geluk dat ik een kamer had in het gezin van mevr. Sobering en haar al grote kinderen, maar toch! Langzamerhand begon ik me thuis te voelen in Hattem. Ik ging op huisbezoek en leerde de gezinnen kennen waar ‘mijn kinderen’ in opgroeiden. Zo ging ik op een dag na schooltijd bij de fam. Sterk op huisbezoek.

Pa Sterk was militair en zat achter de eettafel met z’n modeltrein te spelen. Huisbezoek was voor moeder! Mevr. Sterk was een vrolijk typje en schonk mij alvast een kopje thee in. Het was een groot gezin, deze fam. Sterk. Wim zat in mijn klas en met z’n jongere broertje waren ze nakomertjes. Ze hadden zelfs al getrouwde zussen. Toen kwam broer Jan binnen, 16 jaar oud. Hij kwam net terug van de judo, zo vertelde hij. ‘Ja, ik heb de zwarte band met judo en ik kan iedereen op de grond leggen’, zei Jan.  Dat kon ik niet over mijn kant laten gaan, zo’n verwaand kwastje! ‘Misschien wel veel, maar niet iedereen’, zei ik.
Deze Jan was maar een schriel kereltje.
‘Ja, ècht wel’, beweerde hij.
‘Ik weet zeker dat je mij maar zo niet op de grond krijgt!’. Wat een verbeelding had die knul!

‘O, dat zal ik je wel laten zien’, zei hij toen.
Moeder Sterk moest wel lachen en maakte ruim baan toen ik in de benen kwam. De salontafel werd verschoven  en Jan probeerde me meteen maar met een ingewikkelde heupworp  te vloeren. Dat lukte in eerste instantie niet, want ik was in die tijd behoorlijk sterk. Hij veranderde van tactiek.
Ik weet niet meer waardoor, maar ineens vielen we met z’n tweeën tegen een boekenkast met glazen ruitjes. Het glas rinkelde en vloog ons om de oren.Uit een ooghoek zag ik pa Sterk overeind komen, de bril op het puntje van zijn neus en hij begon te bulderen van het lachen.
Hoewel ik aanbood om de schade te vergoeden werd het afgedaan met : ‘Ach zo’n ruitje, ha ha ha……!’
Ik weet niet meer of ik dit bijzondere huisbezoek aan het hoofd der school dhr Aartsen gemeld heb? Ik denk ………….. van niet!

Uit: Uit het Leven van een Achterhoekse in Drenthe