‘Ik heb mijn zwembroek nog niet… anders kan ik het water straks niet in.’ We zitten aan tafel noten te doppen. Ons voorraadje walnoten was op en ze zijn zo lekker op de kwark met vruchten ’s morgens. Er stond nog één mand vol van de afgelopen herfst en daar zijn we mee aan de gang gegaan.
‘O die pak ik zo wel uit de kast boven’, zei ik tegen Wim. Hij begon al bedenkelijk te kijken. Er moet hier vaker gezocht worden naar iets waarvan ik denk dat het gewoon klaar ligt in een kast.
Toen hij zich terugtrok voor zijn middagslaapje ging ik die zwembroek even pakken…. Dat had ik gedacht. Geen zwembroek in de kast, ook niet in de andere 6 kasten en laatjes, niet in de badkamer, niet in het halletje waar onze voorraad daagse kleren is opgeborgen en niet in de fietstas van zijn fiets waarop Wim al 15 maanden niet gefietst heeft.
Dat wordt in elk geval vanmiddag geen zwembad. We wilden even de route verkennen… gehandicaptenkleedkamer, de ingang naar het recreatie bad die mooi langzaam schuin afloopt met twee goede steunen en de kluisjes die open en dichtgaan met je polsbandje.
Ik ben er compleet vervelend van. Ken je dat als je dag niet verloopt zoals je dat in gedachten had. Ik ben al bekaf van het doorzoeken van alle hoeken en gaten en heb veel onvindbare voorwerpen teruggevonden. Maar nee… geen zwembroek.
Dan bedenk ik ineens dat ik ‘me de kop niet gek laat maken’ door een zwembroek. We gaan gewoon een nieuwe halen. Twee zwembroeken is altijd handig. Ik moet zelf ook een nieuw badpak, al te lang uitgesteld. Het wordt gewoon een middagje shoppen. Het zal vast niet heel druk zijn in deze coronatijd.
Wim doet net zijn ogen weer open. ‘Hebben we die zwembroek niet weggegooid? Hij was helemaal doorzichtig geworden op het zitvlak…’
Tja… nou weet ik het weer.

