Weblog2

Ooit zoiets gezien? 2

Nog even een blik op de voorkant waar de zitting is. Jan vertelt er met enthousiasme over. Hij heeft altijd al willen vliegen."En als ik het nu niet doe .. komt er niet meer van", zo zegthij. Hij lijkt wat dat betreft op neef Joop die samen met neef Anton in Harfsen een vliegtuig gebouwd heeft.
Opa Eggink was ook zo’n technische man, die bij de boerderij al in de dertiger jaren een werkplaats had waar je u tegen zegt. Ooit heeft hij een soort perpetuum mobile gemaakt– de eeuwige beweger–, maar tot zijn groot verdriet bleef dat ding op een gegeven moment toch stil staan. Opa had ook in de tijd dat de radio in opkomst was tegelijkertijd z’n eerste radio zelf gebouwd.
Ik vind het nog steeds jammer dat we hem niet wat vaker mee konden maken. Tante Dika en tante Jo van "Top" woonden vlakbij hen in Barchem en die neven en nichtjes woonden dus lekker dichtbij en kwamen er denk ik dagelijks over de vloer. Wij woonden toch een km of 10 verder en in een tijd zonder auto doe je dat niet zo vaak. Meestal was er dan wat te vieren en zag je gelijk alle neven en nichtjes bij zo’n gelegenheid weer eens.
Toen ik op een gegeven moment halverwege op het Medler bij de Cooperatie op kantoor vakantiewerk deed ging ik tussen de middag bij opa en ome Jan en tante Jantje een boterham mee eten. Opoe was toen al overleden.
Opa zat er verder vaak op zo’n canapeetje naast de kachel en voerde daar heel wat diepzinnige gesprekken. Hij was een bijzonder mens en wanneer ik de familie bekijk is er toch het één en ander van die technische èn spirituele kant doorgegeven.

Ooit zoiets gezien? 2 Meer lezen »

Taal

Tessa met de fleslammeren die we ook bij de fam. Knol meegekregen hebben. De kennismaking met de Noord-Groningse klei vergeet ik ook niet gauw. (zie weblog 1 19 juni-2007)

Wanneer ik een programma op de tv bekijk is het de kunst om te raden waar iemand vandaan komt. Ze kunnen nog zo goed alle Nederlandse woorden correct uitspreken… er blijft de klankkleur die verraadt waar ze opgegroeid zijn. Ooit nam ik mijn eigen stem op de bandrecorder op om een dictee in te spreken voor school en ik hoorde tot m’n schrik dat m’n stem eveneens verraadde waar mijn wiegje heeft gestaan. Ik vond het toen wat confronterend, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat het juist bijzonder is om dat beetje te hebben.
In Emmen is het ook wat. Op de streekschool, indertijd de RK.LTS De Zuidoosthoek kwamen de kinderen uit alle streken rondom Emmen, de meesten spraken hun eigen dialect. Die uit Erica en Schoonebeek kon ik goed volgen. Sleen en Oosterhesselen ook, maar kwamen ze uit Emmer Compascuum of Ter Apel dan was het even anders. Ze spreken daar Kanaols zoals ze het zelf zeggen. Het Gronings is er al mee verweven. Ik vroeg eens een jongen waar hij vandaan kwam en hij antwoordde:”Uut Taontie”. Ik moest het even laten bezinken, maar een buurjongen hielp me uit de brand : Het Haantje. Het is een mooi klein dorpje richting Schoonoord.
In de brugklas ging er bij de methode Nederlands ook een hoofdstuk over Schooltaal- Thuistaal. Het voorbeeld was het sprookje van Roodkapje in het Amsterdamse dialect. Dat vonden ze lachen! Daarna kwamen ze zelf aan de beurt in Drents, Fries of … ja… Kanaols. Zelf moest ik natuurlijk ook met de billen bloot en dat werd [i]Hans Knol [/i]in het Achterhoeks, een gedicht dat opa Bijenhof vroeger in het begin van de 20e eeuw al had voorgedragen op de Jongelingsvereniging. Als klein kind zei opa vaak Hans Knol voor ons op…. zo vaak dat ik het nog steeds helemaal uit het hoofd ken. Ik moest wel een paar woorden vertalen, maar ze hadden ogen op steeltjes!
Een poos terug waren we op bezoek bij de familie Knol in Uithuizen helemaal aan de Waddenzee waar ze een schapenboerderij hebben. Het was heel gezellig. Ze hadden één van onze bordercollie pups, Toska, en we kwamen eens kijken. We spraken met elkaar gewoon Nederlands. Ineens ging de telefoon en dochter Corrie was aan de lijn. Toen hoorde ik voor het eerst het onvervalste Noord- Gronings. Mooi hoor!
Vanmorgen ging ik naar de kapper en las in het blad Naober. Daarin vertelde een politica over haar verhuizing als opgroeiende puber naar Gendringen… ja in de Achterhoek. Er waren in het begin wat communicatieproblemen. Ze was toen al goed gebekt en één van de jongens noemde haar een [i]frech blaag[/i]. Ze had geen idee wat dat was. Dus bleef ze een frech blaag (brutaal kind)
M’n eigen Achterhoekse taal zelf blijft me altijd na aan het hart liggen. Als ik in Vorden kom en ik doe even wat boodschappen in een supermarkt en ik hoor de streektaal van Vorden… dan denk ik toch meteen: Hè hè hier praten ze eindelijk weer gewoon.

Taal Meer lezen »

Vorden 1940-45 — 2

Groesbeek ligt vlakbij Nijmegen en doordat het Bevrijdingsleger in aantocht was en over de brug zou proberen te komen, moest iedereen evacueren. De brug bleef wonder boven wonder gespaard.

Toen pa zich na de overgave als krijgsgevangene zich moest melden in Utrecht mocht hij wel naar huis, maar zou opgeroepen kunnen worden om in Duitsland te gaan werken. Meerdere jonge boeren in Linde zagen dat niet zitten en samen werkten ze stiekem aan een ondergronds hol om ’s nachts veilig te kunnen slapen. Op het moment dat het hol klaar was zagen ze tot hun schrik een NSB buurman langsfietsen die geïnteresseerd hun kant op keek. “Schei d’r maor mee uut”, zei pa, “Gait hef ons al ezeen". Ze hebben er dus nooit in geslapen en zijn ook nooit opgehaald. Aan het eind van de oorlog barstte De Boomgaard bijna uit z’n voegen van de evacué’s. Vanuit Vorden de fam Garsen, die te dicht bij een fabriek èn de spoorlijn woonde. Mevr. Garsen was hoogzwanger. Hun oudste kind werd inderdaad op de Boomgaard geboren. Vader Hein moest zelfs met de rapklumpkes lopen om de dokter te waarschuwen. Ik heb begrepen dat hij dat best pijnlijk vond omdat tante Hanna geen kinderen meer mocht krijgen i.v.m. haar nierziekte.
En vanuit Groesbeek kwam de fam Coenen, een veehandelaar met vrouw en 9 kinderen. De drie oudsten waren bij de “Klompenmaker” onder dak en de rest van de familie bivakkeerde ’s nachts in een kalverstal dat als slaapvertrek ingericht was.
Ik heb het al eerder verteld dat de fam. Coenen altijd heel dankbaar is gebleven wat zich uitte in uitnodigingen bij bruiloften en andere gelegenheden en meeleven bij ziekte.. Zelfs bij het overlijden van pa was er een krans met een lint voorzien van de tekst: Bedankt Hein.
Het Engelse vliegtuig dat bij Ruiterkamp brandend neerstortte kwam vlak daarvoor over de boomgaard bij De Boomgaard scheren en er viel een Engelse helm uit. Pa begroef die helm om geen problemen te krijgen in de heuvel om de mangelkeet. Na de oorlog heeft hij hem weer opgegraven en de helm met z’n verhaal deed na die tijd dienst als schep in de voerkist.

Vorden 1940-45 — 2 Meer lezen »

1940- 1945 Vorden

Het Station in Vorden.

Wanneer je in 1943 geboren bent hoor je van allerlei verhalen om je heen over de oorlogtijd.
Het verzet van opa Bijenhof begon al toen de Duitsers door Vorden kwamen marcheren begin mei 1940. De Duitsers zongen uit volle borst:
Und wir fahren…. Und wir fahren….. und wir fahren gegen Engeland.
Opa en een aantal andere Vordenaren vulden dat aan met: Plons… plons… plons. Verdere heldendaden heb ik niet gehoord.
Opa was behalve boer ook vrachtrijder met z’n Belgische paard Koos. In het laatste half jaar van de oorlog was het regelmatig spannend wanneer hij met een vracht onderweg was van Zutphen naar Vorden. Vanuit vliegtuigen waren er regelmatig beschietingen. Eens moest hij rennen voor z’n leven door vlug met het paard aan de kant te gaan en zelf verderop in het bos plat op de grond te gaan liggen. Gelukkig werd ook Koos niet geraakt.
Papa Hendrik Jans verzet bestond uit het meegeven van een kalkei aan de Duitse jonge soldaten die om eieren kwamen. Ach die gewone jongens moesten ook alleen maar. Eén had net zo’n kind van mijn leeftijd en noemde me steeds Heinche. Ze hadden zo’n heimwee naar huis.
Eens probeerde papa met hulp van oom Sjoerd een uit de trein gesprongen Engelse piloot te helpen die zich in de rogge verstopt had. De Haar stond nl vlakbij de spoorlijn en voor het station Vorden werd altijd wat vaart geminderd. Ze riepen met z’n beiden : “We are friends, we help you”. Maar de Engelsman wachtte tot het donker was en klopte toen verderop bij buren aan. Jammer… dat waren NSBers.
Van mama hoorde ik de verhalen over de vliegtuigen die zo laag over kwamen om de treinen te bombarderen die naar Duitsland gingen. Ze hadden een schuilkelder die vaak gebruikt moest worden en kon ze die niet op tijd halen dan ging ze in een hoek van de gang als bescherming helemaal over mij heen liggen.
Vader Hein was in de mobilisatietijd gelegerd in de buurt van Ede. Zijn eerste vrouw Hanna was zwanger van hun eerste kindje, maar door haar nierziekte moest het kindje gelijk gehaald worden en werd doodgeboren. Pa mocht maar één dag bij haar blijven voor hij zich weer moest melden bij zijn compagnie. Dat vond hij onmenselijk. Hij had daar in Renswoude gelukkig een heel warm gezin- van Ravenshorst- waar hij in z’n vrije tijd altijd opgevangen werd. Toen de Duitsers daadwerkelijk in de buurt kwamen en ze klaarlagen om te vechten werden ze ineens van achteren beschoten vanuit een boom. Iemand wilde de Duitsers een handje helpen. Pa’s kameraad die naast hem lag werd geraakt en was z’n duim kwijt. De korporaal die bij hen was maakte korte metten met deze “Nederlander”.

1940- 1945 Vorden Meer lezen »

De hooiplukkers van Lochem.

Mooie oude winkelpanden zijn er nog genoeg in Lochem.

Lochem is al een heel oud stadje. Het had vroeger dubbele stadsmuren met een flinke strook gras er tussen. Het was een ideale plek voor de kinderen om lekker te kunnen spelen. En wat ook leuk was… wanneer er een wagen met hooi van buiten binnen de eerste stadsmuur kwam, dan mocht je er hooi van af plukken voor je konijn. Telkens wanneer er weer een wagen binnengelaten werd ging er een gejuich op: Gauw jongens.. daar is er weer één! De tijd van de 80-jarige oorlog was een moeilijke tijd in heel Nederland. De Spanjaarden waren hier lang de baas. Maar op een gegeven moment was Lochem weer vrij, maar…. het Spaanse leger lag een eindje verderop te wachten op hun kans. De poortwachters waren erg voorzichtig en lieten de mensen niet zo maar door. Eerst ging de buitenpoort weer op slot en daarna werd de binnenpoort pas geopend.
Op een keer was het mooi weer en er waren heel wat van die opgeschoten jongens aan het ravotten tussen die twee muren. Het was ook volop zomer en er dienden zich weer een paar boeren met hooiwagens aan die de poort in wilden. De buitenpoort ging open en…Jongens gauw… daar zijn er weer een paar! De kinderen vlogen er vlug op af en begonnen het losse hooi er af te trekken. Hoe meer hoe liever. Eén van de jongens,Poortwachters Jan, had een erg dikke pluk hooi te pakken en trok … en trok uit alle macht… tot hij ineens met een smak achterover viel met die pluk hooi nog in z’n handen. Pluk hooi? Hij had met de pluk hooi ook een soldatenlaars te pakken. Hij gaf meteen een gil….. Kijk….kijk…. De poortwachter had de buitenpoort al dicht. Er werd nu snel alarm geslagen en de wagens werd daar stukje bij beetje of Spaans soldaatje bij Spaans soldaatje leeg gepakt en gearresteerd. Die soldaten hadden stiekem ’s nachts uit het hooi willen kruipen en de poorten willen open doen om het Spaanse leger de kans te geven Lochem te heroveren. Net als vroeger bij het paard van Troje.
Dankzij de hooiplukkers is de stad Lochem bewaard gebleven voor veel ellende.

De hooiplukkers van Lochem. Meer lezen »

Gewoonte of verslaving?

Wim gaat naar het Veenpark om met de Shanty’s op te treden en met Queeny en Tessa zwaai ik hem uit. Tessa ligt op dit moment al vlak naast het hek op haar eigen plekje te wachten.
Zie je dat Wim mijn superfiets ook gebruikt?

Het begint een gewoonte te worden om iedere dag er even voor te gaan zitten om iets te gaan vertellen. Rick noemt het al een verslaving, maar zo zegt hij dan:” Ik heb ook een verslaving” en dan kijkt hij naar z’n sigaret. Het gekke is dat ik van te voren niet eens weet wat ik wil vertellen, maar zodra ik zit komt er altijd vanzelf een flits van het één of ander en dan rollen de woorden zomaar vanuit m’n hoofd door m’n vingers naar het toetsenbord de laptop in. En wanneer ik het maar meteen opsla hebben jullie ook weer nieuws van het Schoolpad of vanaf de plek waar we bivakkeren. Dat begint wel gemakkelijker te worden om op pad te gaan nu we geen schapen en twee honden meer hebben. Het is natuurlijk ook niet erg om Mark Tessa mee te geven, want…. eigenlijk is Tessa Mark z’n hond. Toen Tessa kwam woonde Mark ook aan het Schoolpad, maar ja… toen kwam Jennifer en dat klikte. Maar… Jennifer had Ollie. Ollie kwam ook mee naar het Schoolpad, maar met Scott en Tessa en eerst ook nog Kim tegenover zich begon die van ellende overal tegen aan te plassen. En wanneer Mark Tessa meenam naar Jennifer vond Ollie dat helemaal niks.. Tja en zo is het gekomen dat Tessa bij ons bleef. Met Scott ging het prima samen. Je weet de uitkomst: twee prachtige nestjes bordercollies.
Mark houdt op deze manier zijn aandeel in de zorg en de opbrengst delen we samen. Ha… ook leuk toch?
En nu…. Scott is niet meer. Ollie is niet meer. Maar nu heeft Queeny er een groot aandeel in het leven in Huize van der Kolk- Kraak. Ze wordt heel sociaal, doet zelfs mee in de zelfbedachte toneelstukjes van Eva en vriendinnen. “Weet je dat Queeny dood kan liggen”, zei Eva pas. “Dat heb ik haar geleerd. Queeny … dood”!En warempel Queeny ging doodstil languit op haar zij liggen. Bordercollie hè! Bovendien is ze de helft van de week nog bij ons samen met moeder Tessa en genieten wij er weer van. Pas kreeg ik een mailtje van West-Vlaamse Blogvriendin Ani. Ze had de familiefoto van de Bijenhofs gezien uit 1944 met Gerke, Gerrie en ik nog als 1 jarigen en daar lag ons boerenfoxje Trixie vooraan op de foto.
Nu snap ik helemaal waarom je zo gek op je honden bent, mailde ze.

Gewoonte of verslaving? Meer lezen »

Wol ie d’r een stuk kaas bie’j?

Een vakantie in Canada in 2005 samen met Henry en Tonny.
Hier zitten we gezellig samen in Banff.

Terwijl de nieuwe emigranten, Henry en Tonny, hoog in de lucht op weg naar Canada zijn krijg ik een heel leeg gevoel. Zo heel vaak zagen we elkaar niet eens, maar wanneer we in Hattem komen gaan we vaak even bij ze langs en worden op allerlei lekkers onthaald. Henry doet de drankjes en Tonny de rest. Ze woonden net als Ben en Niesje vlakbij De Bongerd, het zorgcentrum waar oma regelmatig even opgezocht werd en vaak werd verrast met een zoute haring, want oma is van de hartige hap. Wanneer je vroeger bij haar op de koffie kwam kreeg je vaak de vraag:”Wo’j d’r een stuk kaas bie’j”? Wat dat betreft lijkt Henry op z’n moeder. Die doe je ook geen plezier met gebak of koekjes. Het is eigenlijk al vaste prik dat ik Henry gelijk maar een bordje met stukjes leverworst of kaas voorzet. Oma is ook niet vies van bessenjenever. Een glaasje rood gaat er bij haar nog goed in. Ook dat hebben haar “venten” niet van een vreemde. Henry had een wijnkelder waar je U tegen zegt. Wanneer we samen in Canada vakantie vierden werd er ook regelmatig bij een liquorstore gestopt.
De kreet : [i]Doe me nog maar een slupje [/i]stamt uit onze laatste vakantie daar en werd geregeld door Jannie geuit.
Nu zullen ze al wel aan de overkant zijn en kunnen straks bijpraten met Gera, Fred en de kinderen.
Hun huis staat te wachten. De verhuiskisten zijn onderweg. Het lijkt me een uitgelezen plek daar in Dickson… vlak bij de golfbaan, dicht bij de kerk en z’n enorme dominee die ook van golf houdt en golfsticks maakt en… het belangrijkste vlakbij de kinderen.

Wol ie d’r een stuk kaas bie’j? Meer lezen »

De kamer zag blauw van de sigarenrook….

Diny en Anneke, de deerns van toen.

Er kwamen vandaag allerlei herinneringen boven. Heb ik trouwens bij al mijn verjaardagen.
Ik hoor het zuchten van mama weer van te voren.. voor er een verjaardag van één van hen gevierd werd. “O… a’k de deerns mor ‘es groot heb”, zuchtte ze dan. Ze zag er dus ook altijd tegen op om alles goed te laten verlopen. Met tante Hermien had ze ondanks alles het hoogste woord. Dat ging een beetje tegen elkaar op met die twee. Diny en ik lagen soms boven plat op de vloer om wat van de gesprekken op te vangen… vandaar. Tante Riek praatte veel zachter en tante Janna’s stemmetje hoorden we meestal instemmend klinken…O jao…o jao….
Toen we groter waren en de kamer al twee keer zo groot was geworden na een verbouwing zat mama meestal bij de deuropening naar de kamer en regelde op die manier wat er naar binnen gebracht moest worden of afgeruimd. Die tijd in de keuken met Diny en later ook wel met Anneke was steeds heel gezellig.
In de tijd dat Wim ook bij de familie hoorde had hij nog wel eens moeite met al die ooms en tantes en liep dan met het handjes schudden vlak achter me en hoorde vanzelf wie hij voor zich zou krijgen: “Dag tante Jantje, ome Jan, tante Riek, tante Jo, ome Gert, ome Wim, ome Bertus, tante Dine, tante Aaltje”enz.. Hij kon het meestal het best onthouden aan de eigenaardigheden. O,… die van dat slappe handje, o…. die van de brommer… o die kwamen altijd veel later..o en die heeft jachthonden. Het was de tijd van de bowl en de citroentjes of brandewien met suker. De kamer zag blauw van de sigarenrook, maar geen hond die daarover klaagde.
Dat samen de boel redderen in de keuken… wat hebben we afgelachen.
Vandaag waren onze jongens, inclusief Robin als echte pyromanen met de barbecue in de weer en zorgden voor de drankjes. En de meiden, schoondochters Judith en Jennifer verzorgden de hapjes en de salades. En ik zag dat ze ook plezier hadden met elkaar. Bedankt… m’n verjaardag kon niet beter!

De kamer zag blauw van de sigarenrook…. Meer lezen »