admin

Ons leventje….

Ons leven speelt zich nog steeds voornamelijk af in en om ons huis. Dirk heeft zijn jachtgebied aardig uitgebreid. Hoever, dat weet ik niet, maar vanmorgen om half 7 kwam Anja ons Dirkie tegen tussen Bargeroosterveld en hun boerderij toen ze op de fiets naar haar werk in Klazienaveen reed. Dirk is ’s nachts op pad. Overdag wil hij nog wel eens even wakker worden en gauw een muisje uit de sloot vangen, maar eigenlijk is het zijn rustmoment. Als het mooi weer is mag Dirk graag op de bank in het zonnetje liggen, maar bij iets kouder weer heeft hij een slaapplek op een schapenvachtje in een stoel onder het afdak naast het terras. ’s Avonds vraagt hij wat meer aandacht en meldt zich voor een extra hapje en een knuffelmoment bij mij op schoot. Storm komt dan pontificaal naast me liggen, toch wat jaloers en ik vertel hem dan maar weer dat hij echt bij mij de nummer 1 is…. Met stip!
En dat is het dan zo’n beetje wat onze huisdieren betreft. Geen kippen meer, geen fleslammeren ook. Alleen nog de 10 schapen van Rob in de wei. Ze zijn van verschillende rassen. In de witte soort zit Wensleydale bloed, speciaal erbij omdat Rob ze beter mee kan krijgen want deze twee lopen meteen naar je toe in de hoop op iets lekkers, de rest volgt. Dan zijn er een stel Gotland pels schapen. Er is er eentje bij die vaak apart loopt en het gat in de afrastering ontdekt heeft en een rondje maakt over het gras bij de schommelbank en prieel. Betrap je haar, dan loopt ze gauw weer terug en duikt met een zwierig sprongetje weer tussen gaas en draad terug in de wei. Dan zijn er ook nog wat Drentjes. Daar heb je geen kind aan.
Robs hulpje Ken had het gat gerepareerd… dacht hij, maar dan heeft hij buiten de lichtgrijze Gotland pels gerekend. Er zal eerst een nieuwe paal gezet moeten worden.
Tot zolang houden we het hek naar de weg maar dicht, kan er niks gebeuren.

Foto: Pippie, ons Gotland pels fleslammetje uit 2018.

Ons leventje…. Meer lezen »

Memories

Vanaf 1972 logeerden we een aantal jaren in onze vakantie in een opgeknapte jachthut. bij Badenhard in de Hunsrück. Het uitzicht vanaf ons vakantiehuisje was prachtig. Je keek uit over de landerijen die bij het dorpje Birkheim horen. Dat eerste jaar ontmoetten we deze boer die met zijn koeien klaver van het land haalde. In Nederland had ik dit nooit gezien en toen we een praatje maakten wilde hij best op de foto. Ik vroeg hem nog of dit ossen waren, maar nee, dit waren gewoon melkkoeien. Hij had ook wel een tractor kunnen kopen , zei hij, maar zag de noodzaak er niet van in. Mijn vader en moeder kwamen op bezoek en pa wilde zijn collega boer graag ontmoeten. Ondanks het taalverschil begrepen ze elkaar. Na dat eerste jaar zagen we hem niet meer.

Memories Meer lezen »

Twee vrienden – 7 – In 1935 op de motor naar Schotland

Edinburgh en het Ullswater

Ik was er blij mee en even later vonden we bij een zeker mr Lung in Jeffrey street een onderkomen, nadat we hier opnieuw werden aangeblaft door een tweetal Boarding House honden.
Hier kregen we de volgende morgen tips om bezienswaardigheden op te zoeken. Ik noem vanzelf het historisch kasteel, 248 m boven de stad gebouwd, het gedenkteken van Walter Scott, de grote Schotse schrijver, een heel grote floraliaklok, het Holyrood house, dat gedeeltelijk ruïne is en nog voor militaire doeleinden wordt gebruikt .
Vanwege de nabootsing van de Areopagus van Athene wordt Edinborough ook wel het Athene van het noorden genoemd.
Sjoerd had nog zin om staande vanaf die Areopagus een rede uit te spreken tegen onzichtbaar publiek. We ontdekten ook nog het Nelson Monument en bezochten een zeldzaam groot warenhuis waar we veel bekijks hadden vanwege onze rugzak en het grote mes van Sjoerd. We wisselden nog wat geld bij een bank en om 5 uur waren we terug bij ons pension en werden opnieuw aangeblaft door de nijdige hondjes.
Een uur later zaten we weer op de motor en snelden diezelfde avond 100 km zuidwaarts naar het Lake District. In de buurt van Carlisle, dichtbij de Ierse zee, ontdekten we een weiland met wat hooimijten, voor ons geschikt als nachtverblijf. Het hek was alleen zorgvuldig afgesloten met een ketting met hangslot. Geen nood, met een zware spakenkniptang verbrak ik de ketting en slopen we het weiland in waar achter een hooimijt tal van schapen sliepen. De volgende morgen, zonder thee, waren we vroeg op pad om nog 100 km in snel tempo af te leggen. De Penrith heuvels waren we al voorbij toen we door zo’n verschrikkelijke regen werden overvallen en moesten we schuilen onder een spoorbrug. We begonnen honger en dorst te krijgen. We waren nu dichtbij een soort gebouw dat ik aanzag voor een steenoven. We dachten in zo’n ovenmond wel een lekker vuur te kunnen aanleggen. Daarvoor moesten we eerst nog over een 2 m hoge afrastering van ijzeren staven en prikkeldraad, maar met het vooruitzicht op een heerlijke warme maaltijd en krachtige thee was dat zo gebeurd. Helaas, het mocht niet zo zijn. Er kwamen twee ruige monsters uit die ovenmond, knipperend met de ogen tegen het licht. Het waren twee bruine beren die hier door iemand waren ondergebracht. Ze lieten ons nog net de tijd om weer over de afrastering terug te klimmen.
Intussen was het droog geworden en we kwamen bij het Ullswater aan, een van Engelands mooiste meren, omringd door bergen. Hier sloegen we ons bivak op, maakten een groot vuur en zorgden voor onze maaltijd. Nu besloten we eerst te gaan zwemmen. Wel had een vriendelijke schaapherder ons gewaarschuwd voor koude stromen en gevaarlijk water maar wij de stoere zwemmers van Vordens wateren durfden dat wel aan. We besloten om dwars over het meer te zwemmen dat we schatten op 700m.. Toen we naar mijn mening op de helft waren zag ik bezwaren. Rustend, op de rug liggend op het water bespraken we de toestand. Ik besloot terug te keren, Sjoerd wilde echter over. Toen ik weer aan de wal was zag ik niets meer van Sjoerd. Waar was hij? Aan de andere kant kon hij nog niet zijn. We waren misleid door de bergen op de achtergrond, de afstand was minstens 2 km. Met de kijker zocht ik het meer af, maar ik zag hem niet. Met de hand aan de mond schreeuwde ik zo hard ik kon: ’Sjoerd…!’ Ik vernam niets, de wind stak op en joeg de golven hoog op. Ik werd doodsbang, waar was Sjoerd? Wat hield dit meer verborgen, Ullswater, een geheimzinnig klinkende naam. In mijn verbeelding zag ik al inktvissen verborgen in dit vreemde water, hun grijparmen en zuignappen uitstrekkend naar Sjoerds lichaam. Ze haalden hem naar onder en ik, ik moest werkeloos toezien, kon niet helpen. In mijn verbeelding zag ik al een zwarte spitse kop opduiken, een zeeslang misschien? O Sjoerd, waren we toch maar hier gebleven en ik gooide een stuk rots naar het vermeende zwarte ding dat dan verdween en dan weer op zwiepte. Gelukkig, ik zag weer helder en besefte dat het een dode tak was die ergens vastgedreven zat tussen de rotsblokken. En kijk, hoorde ik niet een zwak geluid van de overkant. Hoorde ik niet roepen:’Bervo… Bervo..!’
Ik greep mijn kijker en ja, daar zag ik aan de overkant mijn vriend op de helling van de berg, lilliputterig klein. Maar hij was het. Een half uur later was hij terug en wij maakten ons klaar om verder te reizen, maar wel nadat ik hem even vaderlijk toegesproken had. We passeerden het bergdorpje Watermillock en reden over de gevaarlijke Kirkstone pas verder langs Windermere.

Twee vrienden – 7 – In 1935 op de motor naar Schotland Meer lezen »

Twee vrienden- 6- op de motor naar Schotland 1935

Our hiding place

Hier gebruikten we ons supper en we rekenden af met onze vriendelijke gastvrouw, van een toenadering tussen haar en mijn vriend werd het toch niet wat. Bepakt en gezakt zochten we onze trouwe Triumph motor op om ons hopelijk weer naar het zuiden te brengen. Toen we hem aanporden gaf hij alleen wat snikkende geluiden en liep geen meter verder dan we hem duwden. Wat was dat? Twee dagen rust en dan niet meer willen? Plotseling ging ons een lichtje op. We hadden twee dagen een bruin leventje gehad en de motor doornat achter een schutting geduwd. Hij had geen zonestraal gevoeld en geen drupje gehad. We hielden stil bij een garage en pompten zijn stalen romp vol met benzine, dat was voor hem als de heerlijkste lekkernij voor de meest verwende toerist.. Zingend, loeiend en brullen stoof hij de weg over. Waar we die nacht moesten doorbrengen was me nog een raadsel. Mijn vriend had wel een plan gemaakt. De hele dag had hij het er over gehad om ergens aan een meer of bij een waterval in de openlucht te kunnen slapen. De streek waar we nu doorkwamen werd woester en eenzamer. Slechts hier en daar een loods van verroest blik en verveloze planken waar bergbewoners in hadden gekookt en geslapen. Verder niets. Het werd intussen donker en als ik het er over had om hier maar in te kruipen haalde hij zijn neus hier voor op en ik kon hem niet op andere gedachten brengen. Eindelijk, het was intussen 10 uur kwamen we bij het Loch Tay en op een plek waar een riviertje bruisend uit een rotsspleet kwam denderen riep hij:’Bervo, hier is our hiding place’. Zuchtend gaf ik toe.
Mijn vriend was een en al bedrijvigheid. Hij vond een geul waar zijn lichaam precies in paste. Na ons avondgebed gingen we de nacht in. Al gauw hoorde ik mijn kameraad lekker snurken maar ik kon de slaap niet vatten. Onrustig schoof ik maar over de harde rotsbodem heen en weer en keek naar de maan die als een heldere schijf haar licht verspreidde en de talloze sterren als nachtkaarsen fungeerden. Ik kon de slaap niet vatten en dacht aan mijn vrouw en dan weer aan al die plekken op eenzame vlakten en rotsholen waar ik in mijn jeugdjaren wel eens geslapen had. Mijn jonge vriend snurkte nu luid, lag vast in zijn rotsgeul en lachte zelfs in zijn slaap. Even kwam zijn hand naar boven en maakte hij een afwerende beweging. Even vertrok zijn gezicht. Waar dacht hij aan? Ha, nu begreep ik het… Nee, hij wilde haar niet…. Miss Rossal, onze vriendelijke gastvrouw uit Oban.
Toch moet ik in slaap zijn gevallen want ineens was het helder licht. Ik maakte gauw een vuurtje. We warmden onze verkleumde ledematen en zetten thee en aten wat. Toen bestegen we ons stalen ros weer. Met de middag waren we bij Loch Cathrine, een buitengewoon mooi meer in de buurt van Glasgow.
Hier waren we aan het begin van de Trossachs, naar men zegt een van de mooiste wegen ter wereld. Het woord Trossachs betekent borstelig ruw terrein en de ingang heet hier de Gorge of the Trossachs, de strot of keel naar een borstelig ruw terrein.
Inderdaad zijn deze woeste eenzame bergengten niet in woorden uit te drukken. Ik zou willen dat jullie allemaal dit zouden kunnen zien. De weg liep zo langdurig en steil af dat we de motor in de kleinste versnelling, zonder gas, op zijn eigen compressen remmend, nog steeds de voetrem gebruikend nog te veel vaart kregen. Zo kwamen na meer dan 7 km in het stadje Aberfoyle aan. Die avond om 9 uur waren we op 1 uur afstand van Edinburgh gekomen.
We maakten een vuurtje onder de brug van de hoofdverkeersweg van takken van een dode wilg die door mijn goede vriend was gesloopt. Hier kookten we ons eieren en we verbaasden ons er over dat niemand op ons lette. Daarna reden we full speed naar Edinburgh. Midden in de stad om half 11 ’s avond informeerden we naar een logement van het Leger des Heils of een opvang voor zwervers.
Een jongen wees ons grijnzend naar een hoog en onaanzienlijk gebouw, 50 m verderop.
Daar zagen we een soort vrouwen staan voor het huis, op de stoep en in de gang die er schameltjes uitzagen, soms een sigaret inde tandeloze mond en van alle leeftijden. Een lange meisjesachtige vrouw in een rode mantel vroeg:’What do you want?’ We begrepen intussen dat dit een nachtopvang voor vrouwen was. We vroegen naar het tehuis voor mannen van de Salvation Army. Het was een halve mijl zuidelijk en even later stonden we voor het gebouw. Nu was het mijn beurt. Een groep van 50 mannen en jongens verdrongen zich intussen om onze motor met de Hollandse vlag. Een deel bleef nieuwsgierig bij mijn vriend staan. Hij maakte ook een vreemde indruk met zijn blauwe mutsje, een door de reis gehavende leren jas, militaire broek tot aan de knieën waarin een groot mes stak. Hij had een rugzak waaraan een aluminium keteltje bengelde, voor een deel glimmend en een deel zwart berookt. Ze bestormden hem met vragen terwijl anderen mij volgden de trap op naar het kantoortje. Een brede grote officier keek verwonderd op toen ik hem onze wensen kenbaar maakte. Hij vroeg of ik wel wist dat we vooraf in bad moesten en onze kleren ontluisd zouden worden, enz., enz., en dat we op een mannenzaal op primitieve matrassen met 100 andere mannen zouden slapen. Ik wist dit nog omdat ik in een grote stad in Amerika in een soortgelijk onderkomen had geslapen en daar de andere morgen gehavend door de wandluizen vertrok. Maar ik stemde toe, we hadden immers afgesproken om dit mee te maken. Ik ging weer naar beneden en stuurde nu mijn mede reiziger naar boven om het een en ander te bekijken. Die was vanwege zijn rugzak zo breed dat ze voor hem een vouwdeur moesten openen om op de slaapzaal te komen. Er waren al meer zwervers gearriveerd. Sommigen lagen al in hun nest. Anderen wandelden sigaretten roken in schamele onderkleding rond. Weer anderen waren aan het eten, brood of een kom havermout, hard gekookte eieren, een stuk gebraden haan. Er liep er zelfs een met een gebraden schaapskop rond. Het was zo’n ontstellende aanblik dat hij zwijgend als het graf weer bij me kwam.
‘Wel?’, vroeg ik hem. Hij knikte en zei: ’Laten we een garage voor onze motor zoeken’. Een straatje om vonden we er een en toen we hem opgeborgen hadden liepen we opvallend stil weer terug. Eindelijk verbrak ik de stilte. ‘Wat denk je ervan?’
‘We hadden beter onder de blote hemel kunnen slapen’, was zijn antwoord.
‘Dat gaat ons hier in de stad niet lukken’, was mijn mening.
‘Maar dat gaat evenmin als je voor je plezier uit bent in zo’n onderkomen bij zulk verdierlijkt gezelschap te slapen’, beweerde hij daarop
‘Zullen we dan een Boarding House opzoeken?’, stelde ik voor.
‘Alsjeblieft’, zei hij volmondig.

Twee vrienden- 6- op de motor naar Schotland 1935 Meer lezen »

Een herinnering

Bij het rommelen tussen oude foto’s kom ik ineens deze tegen en denk met liefde terug aan onze buurvrouw Wolterdina. Ze werd een tweede thuis voor mij. Elke week brachten we haar een bezoekje nadat Harm overleden was,. Ik op maandag en Wim op donderdagmiddag en dat waardeerde ze erg. Ook voor Ben en Niesje was ze een thuiskomen als ze hier een paar weken kwamen oppassen. Kwamen die met z’n tweeën uit het dorp gefietst, stond Wolterdien al klaar voor het raam met een koffiekopje in de hand.
Wat lijkt het een tijd geleden dat we samen met Harm en Wolterdina, onze buren, naar Hattem gingen. We maakten er een echt dagje uit van. We dronken koffie bij Wims moeder die nog net aan de Dorpsweg woonde en struinden samen Hattem door waar Wim enthousiast over vertelde, zijn thuishaven. Toen we in de buurt van de Ridderstraat kwamen begonnen de magen wat te knorren en lunchten we met een broodje en een kop mosterdsoep dichtbij uitzicht op de Hoenwaard. ‘Mosterdsoep?’, riep buurman Harm uit. Dat had hij nog nooit gehad, maar Wim prees het zo aan dat hij het wilde proberen. Het proefproject slaagde. Dat wilde Harm wel vaker.
Op de terugweg gingen we bij Zwartsluis met de pont over en er moest weer koffie gedronken worden en daar werd deze foto van Wolterdina en mij genomen. Een mooie herinnering!

Een herinnering Meer lezen »

Net Abraham…

Het is lang geleden dat we in Hengelo de Finse houtsauna achter onze huizen bouwden, samen met onze buren Bertus en Marijke. Bertus had de bouw in Finland gezien met van die dikke op elkaar gestapelde boomstammen. En zo moest het bij ons achter ook worden. Nadat door de week de fundamenten en het vloertje gelegd waren werd in één zaterdag de sauna met vereende krachten gestapeld en het dak geplaatst. Dat was dan voornamelijk door Bertus en zijn broers en zwagers, want hij kwam uit een gezin met veel handige jongens. Een aantal zaten zelf in de bouw en zo hadden ze al heel wat huizen opgeknapt. Er was er een bij die juist goed in behangen was en de jongste die slager was kon erg goed opruimen. Zo werd iedereen bij deze bouw aan het werk gezet, inclusief Wim. Marijke en ik verzorgden de inwendige mens. Wat een tijd! Iedere zaterdag was het feest. Beide gezinnen gingen er doorlopend in. Zelfs Peter die net geboren was ging er na een paar weken al even mee in op de arm.
Ik had van twee lappen badstof een paar ‘Abrahamjurken’ gemaakt om tussen de saunagangen aan te trekken. Gewoon de badstof dubbel genaaid met een opening voor hoofd en armen. En zo zaten we dan verder af te koelen.
Wat heeft Wim dat gemist toen we naar Emmen verhuisden. We hebben wel eens een sauna afgehuurd in Aalden met wat vrienden, maar dan moet je toch altijd weer naar huis rijden.
Nu heeft Wim het hier aan het Schoolpad ook allang voor elkaar. Sinds 20 jaar hebben we in de schuur weer een sauna. Maar op de een of andere manier was voor mij de lol er af. Ik kan niet eens goed zeggen waarom. Niet gezellig. ‘Je gaat toch niet voor de gezelligheid in de sauna…je moet zweten’, zei Wim dan.
Ik ben er later nog weer eens mee in geweest.
We hebben een stoomsauna. Dat kun je langer volhouden. Na de eerste gang koud douchen en buiten afkoelen. De tweede gang is dan een gewone hete sauna. Wim gaat natuurlijk minstens drie keer.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik het toen best lekker vond. Ik sliep die nacht als een os.
Maar de laatste tijd heb ik weer afgehaakt. Na indertijd Ben en ook Mark die graag meegingen, zweet Wim nu in zijn eentje, met altijd Storm voor de deur die trouw op zijn baasje wacht. Rick is er niet voor te porren, maar ik vergeet even Gerhard, Judith en Robin die er vorige zomer ook graag gebruik van maakten. Altijd gezellig met meer, vooral als je zit af te koelen. Dan kom ik er ook even bij zitten.

Net Abraham… Meer lezen »

Twee vrienden -5- In 1935 door Engeland en Schotland

Zondag in Oban en de Fingal’s cave

Zondagmorgen. Heerlijk vonden we het om de motor voor één dag te laten staan. We gingen om 10 uur naar de kerk. Mijn collega, de koster, gaf ons een goede plek. Hij had meteen in ons vreemdelingen herkend. We zaten dichtbij de predikant en konden zijn meditatie heel goed volgen. Het gezang deed ons weldadig aan. Een klein koortje gaf de leiding en er werd gezongen op hele en halve noten.
’s Middags wandelden we door de stad naar de zee en hier viel ons de rust op zondag op. Er liep geen bus, de boten in de haven lagen voor anker. Bioscopen waren gesloten en er was geen enkele winkel open. Aan het strand werd gewandeld maar er waren weinig zwemmers. Wandelend langs de steile rotsen ontdekte ik toch zowaar tussen allerlei bloemen en planten het sidderkruid.. Hans lachte er om maar ik kroop met moeite de steile wand en greep een exemplaar van het rode sidderkruid en toen ik diezelfde avond een brief aan mijn vrouw schreef sloot ik het sidderkruid er bij in zonder dat ik het Sjoerd liet merken.
De volgende morgen stond de zon al hoog aan de hemel toen Hans aan mij arm rukte met een schreeuw:’Bervo, allé d’r uit, we moeten naar de Fingal’s grot’. Ineens was ik klaar wakker. Een half uur later liepen we al in de stad op zoek naar een schoenmaker, Sjoerd zijn schoen was kapot. Het kostte veel moeite om die gerepareerd te krijgen, overal wezen ze ons af. Ze dachten dat we Duitsers waren. Tenslotte vonden we een oorlogsinvalide die begreep dat wij Hollanders en geen Duitsers waren. De schoen was toen snel gerepareerd.
We haalden nu snel een kaart voor een tochtje op de Loch Tyne dat ons naar de eilanden Staffa en Iona zou brengen. Na een reis van 5 uur, eerst door de zeearm Kerrera Sound en daarna op de Atlantische Oceaan zagen we in de verte Staffa in de oceaan oprijzen. Het is een naakte steile rots, een paar honderd meter hoog, onbewoond en met een omtrek van slechts 3 km. Alleen bij kalm weer is de grot te bereiken. Met ander boten werden we naar het eiland geroeid. We hadden zoveel van deze bijzondere grot gehoord dat onze verwachtingen hoog gespannen waren. Wat we zagen was echter zo groots en geweldig, zo ontzagwekkend dat het ons in verrukking bracht en wat ons stil en klein maakte.
Loodrecht uit de zee oprijzend, honderden voeten hoog stonden daar zes- en achthoekige pilaren van donkergrijze, bijna zwarte basalt steen, regelmatig naast elkaar. Geen architect had ze er beter in kunnen plaatsen. In het midden van de zuilen was een torenhoge opening met een breedte van 20-50 m. Na een vermoeiende klimpartij over rotsen, alle op afgeknotte zuilen of een soort kegels lijkend, dan weer lager dan weer hoger, bereikten we de ingang van de grot, de Fingal’s cave. Sjoerd was dankzij zijn snelheid en kracht een van de eersten van de honderden bezoekers. Toch was ik ook redelijk snel, nog geen 20 voor me, ik heb het te danken dat ik nog steeds mijn zware lichaam oefen in motorrijden en zwemmen.
Daar stonden we dan in een der indrukwekkendste grotten ter wereld.
Hier werd niet gelachen in Gods heiligdom zoals deze plaats genoemd moet worden. De golven van de oceaan sloegen met ontembare kracht tegen de rotswand achter in de grot. Het schuim spatte hoog op. We hoorden onophoudelijk een alles overstemmend geluid als het rommelen van de donder. En terwijl we achter het hoog opspattend schuim van de golven stonden zagen we op zee de prachtigste regenboog. Hoog boven ons was een prachtige zoldering van zuilen en nog eens zuilen samengesteld.
Wanneer de golven beneden stukgeslagen terugvloeiden zagen we de granietzuilen in een peilloze diepte tot aan de bodem der zee gaan.
Walter Scott, de bekende Schotse schrijver, heeft een gedicht gemaakt over deze Fingal’s cave. Onze dichter Nicolaas Beets vertaalde het zo:
Als om de hoogmoed af te wijzen
Op menselijke kunst en vlijt
Deed hier Natuur een Dom verrijzen
Aan de eer haar Schepper toegewijd
Neen met geen ander doel verhogen
De trotse zuilen hier de bogen
Neen met geen ander oogmerk ruist
De branding die hier kookt en bruist
En bij ontzagbre tussenpozen
Uit dit eerwaardige gewelf
Een weergalm lokt van wat zij zelf
Heeft tot haar eeuwig lied verkozen
Een weergal van veel schoner klank
Dan orgeltoon of koorgezang
Wel mag vanuit het schuim der baren
Dit heiligdom op ’t Uwe staren
Iona en Uw trotse kerk
Van heerlijkheid tot puin vervallen,
O zoon des stofs, verleer uw brallen
Dat was uw maar hier is Godes werk

Onze koers richtte zich nu naar dat Iona met zijn in puin gestorte kathedraal, waarop Beets in deze laatste regel zinspeelde. Maar eerst kon Hans de verleiding niet weerstaan om naar het hoogste punt van het eiland te klimmen en daar van bovenaf een foto te nemen van de ingang van Fingal’s grot. Ik probeerde hem nog te volgen maar buiten adem keek ik hem jaloers na terwijl hij als een klipgeit heen en weer rende.
Na een uur varen waren we op Iona. Dit eiland is ongeveer 4 keer zo groot als Staffa en wordt bewoond door ongeveer 300 mensen. De woningen liggen verspreid in het dorp, wel met sporen van ouderdom maar netjes onderhouden. De in puin gestorte kerk uit de 12e eeuw en een ruïne van een vermaard kasteel waren het interessantste hier.
In een gedeelte van de kerk werd nog een dienst gehouden, in een ander gedeelte was een keurig onderhouden graftombe van een van de vroegere vorsten van het eiland. Verderop was een kerkhof waar Schotse koningen begraven waren. Een gids vertelde over een zekere Colomba die alle vrouwen van het eiland had verbannen omdat vrouwen alleen maar last veroorzaakten. Dat veroorzaakte onder de dames en heren een hevig gelach. Maar de gids was hier buiten de waarheid. Genoemde Colomba was een van de eerste zendelingen die in het jaar 563 na Chr. Met 12 metgezellen hier kwam om het evangelie te verkondigen.
Hier op het eiland ontmoetten wij ook de eerste doedelzakspeler. Er was op dit eiland weinig natuur te zien uitgezonderd 1,5 m hoge fuchsiahagen die in volle bloei stonden. Prachtig!
We stapten weer op de boot en na een schitterende reis van een paar uur waren we weer in Oban. We kochten snel wat ansichtkaarten en gingen gauw weer naar ons pension waar het Bourding hondje ons weer nijdig aangrijnsde.

Twee vrienden -5- In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »

Twee vrienden -4- In 1935 door Engeland en Schotland

Naar Oban 4

De motregen van die morgen was nu overgegaan in stortregen met vliegende storm wat de reis niet gemakkelijker maakte. Maar met krakend geweld trok onze motor tegen storm en regen in, over steile hellingen en diepe afgronden. Dankzij de hevige regen was het verkeer wel minder geworden. Ook zagen we nu geen schapen meer op de weg. Opeens zagen we bij een kromming in een bergpas een paar motorrijders aan de kant van de weg bij hun vehikel staan. Een man en een vrouw stonden daar met angstige gezichten, hopend op hulp. We dachten hetzelfde: proberen te helpen. We sprongen van de motor en vroegen waarmee we zouden kunnen helpen. Door de hevige stortregen was hun magneet vol water gelopen. Het lukte me wel het ding weer aan het vonken te krijgen, maar de motor had niet de kracht om ze tegen de steile helling op te krijgen waar wij net van af kwamen. En wij hadden geen tijd om ze er tegen op te trekken omdat we die dag nog vele kilometers moesten afleggen voor we ons einddoel bereikten.
Onze weg ging nu door een soort vallei. Links was een snelstromende beek, zo’n 10 m lager dan de weg. Aan de overkant van de beek hoge bergen en aan onze kant net zo, wel ongeveer 7 à 800 m.
Door de hevige regen hadden zich tal van beekjes gevormd vanaf de top van de bergen die met donderend geraas grote hoeveelheden water afvoerden naar de beek naast ons. Onder het wegdek door waren hier en daar in de rotsbodem openingen gemaakt waar het water door kon om dan in de beek te storten die een wild stromende alles meesleurende bergstroom was geworden. Waarschijnlijk hebben dat ook de toeristen ondervonden waarvan we de auto een mijl of 6 verderop zagen die naar beneden was gestort en er als een verwrongen en vormloze massa bij een grillig gevormde rots in de bedding van de rivier lag. Van de bemanning geen spoor…
Er waren geen huizen in de omtrek om nog te informeren. We hopen maar dat de toeristen het er levend van af hebben gebracht en rillend bij de gedachte dat ons dit ook had kunnen overkomen zetten we onze reis voort. Enkele kilometers verder drong de bergstroom zich onder een hoog ommuurde brug en verdween rechts tussen twee bergen.. Wij daalden snel links af, de diepte in tot we kilometers verder bij de oever van het Loch Awe kwamen, weer een van de beroemde Schotse meren. Wat kilometers verder hoorden we zo’n donderend geraas, dat ver boven de geweldige storm en het puffen van onze motor uitklonk, dat we ondanks de haast die we hadden stil hielden om naar de oorzaak te zoeken. Een kromming in de weg en hoog opgaande bomen hadden een machtige waterval voor onze ogen verborgen gehouden. We waren verrukt. ’t Was dezelfde rivier waarlangs we zolang hadden gereden en die zich hier door een rotsengte, een soort bergpas, wrong en zich in het Loch Awe stortte.
Het was zo geweldig, zo schilderachtig mooi, dat we de motor aan de kant van de weg lieten staan. Druipnat en zwijgend klommen we beiden langs de steile rotsen omhoog tot meer dan 80 m om van boven de watermassa’s omlaag te zien storten.
Een spreekwoord zegt: het leste heugt het beste. Inderdaad, ik heb al veel watervallen gezien, ook grotere dan deze, maar ik meen echt dat dat ik nimmer iets interessanter heb gezien dan deze zich wild omlaag stortende bergbeek met aan beide kanten hoog opgroeiend loofhout.
De tijd drong, het was al 8 uur en we moesten nog 75 km voor we ons einddoel bereikten, Oban aan de Atlantische Oceaan.
Het landschap werd steeds woester, de weg gevaarlijker en smaller, huizen nog schaarser, maar met alles trotserende kracht sleepte onze oude motor ons helling op en af. Wanneer ik de gashevel iets verder los zette, loeide het vuur heviger op in de ingewanden van de oude Triumph en angstkretend slakend rende hij met wilde woede voort in de richting van Oban.
Eindelijk om half 11 in de avond stapten twee tot op het bot doorweekte Hollanders van hun motor en stonden in de lege straten van Oban. We zagen een eenzame wandelaar en vroegen hem naar een goedkoop pension want zo druipnat als we waren en stijf van de kou, zou het een aanslag op onszelf zijn geweest om onder de blote hemel te slapen.
‘Uit welk land? ’, vroeg de eenzame wandelaar terwijl hij ons onderzoekend aankeek.
‘Holland’, antwoordden wij.
‘Ga naar miss Rossal in Dalmallystreet en zeg haar dat ik, A.M. Pherson, u zend’. Binnen enkele minuten hadden we het gevonden en gelukkig brandde er nog licht. We stapten door het hekje een klein tuintje binnen, belden aan en de deur ging open. Met een snelle sprong en woedend geblaf passeerde de nijdige hond de slanke dame die ons open deed. – ‘De Bourding house hond’, fluisterde Hans mij in het oor. Het was weer een van die nijdige hondjes die we al vaker waren tegen gekomen. We waren echter nu zo nat en zagen er zo verwilderd uit dat deze hond bang wegkroop toen hij ons beter bekeek.
De dame die ons open deed was amper 30. Ze keek ons vragend aan en vlug zeiden we haar waarvoor we kwamen. In roerende bewoordingen vertelden we over onze ellende en wezen op onze druipnatte kleding. Ze wenkte ons met de hand binnen en zei glimlachend: ’Come in’.
Ik kende geen muziek hoe welluidend ook die ons lieflijker in de oren kon klinken dan dit: come in.. En toen ze er nog aan toevoegde: ’I fix you up, you are hungry. I guess I make supper ready for you’. We hoorden nauwelijks dat ze hevig stotterde. In mijn gedachten smeedde ik stiekem het plan ommijn vriend verliefd op haar te laten worden. Maar behalve dat hij zich niets laat opdringen, begreep ik ook dat ik hem voor de rest van de reis niet missen kon.
Onze motor, de trouwe metgezel die ons door storm en regen droeg, mocht niet mee naar binnen. Er was geen ruimte. Voorzichtig zetten we hem via een zijweggetje naar achteren en zetten hem tegen een schutting. Ik klopte hem nog even als dank, onze trouwe vriend. We hadden nog een stel reserve kleren in onze rugzak en verkleedden we ons snel en gaven onze natte kleding af aan onze gastvrouw om te laten drogen. En daarna gingen we aan een verrukkelijke maaltijd. Toen we een half uur later in een heerlijk bed lagen en God gedankt hadden kwam er een weldadig gevoel over onze geradbraakte lichamen en zakten we snel weg in een diepe slaap.

Foto: de woeste waterval bij het Loch Awe

Twee vrienden -4- In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »

Even rekenen…

‘Oma zou gisteren 106 geworden zijn’, merkte Rick even tussen neus en lippen op. Dat is Rick weer. Ik had er ook wel bij stil gestaan. Toch al meer dan 40 jaar geleden moesten we afscheid van haar nemen en elk jaar sta ik er bij stil dat ik haar alweer een jaar overleefd heb, maar ook dat een deel van haar in mij is.
Wim begint meteen te rekenen. Vader Gerard is ook maar 46 geworden. Wim was toen 16. Wim is van 1940. Dan moet hij van 1909 of 1910 zijn..
We spreken af om in september als we een weekje op de camping zijn met Rick weer op de begraafplaats te gaan kijken. Ik vertel over het graf van de fam Aartsen dat in 1949 gekocht is na het overlijden van de kleine Heini en waar behalve opa en opoe Aartsen ook tante Hermien en oom Sjoerd begraven zijn. Kort geleden had een van de kleinzonen geholpen om het graf voorzien van split i.p.v. bodembedekkers. Het was geen doen meer om het netjes te houden. Hij had het ook aan Gerke willen laten zien. Ze is slecht ter been en zo mocht ze met hem in de auto even naar het familiegraf. Het kon precies, al zijn de begraafplaatsen in Nederland er niet zo op ingesteld. Dat is anders in Iowa en meer plaatsen in de USA. Daar gingen we met Harold en Luella over brede paden de begraafplaats op en bezochten we met auto en al het graf van oom Herman en tante Nettie. Als Rick weer eens meegaat naar Hattem gaat hij ook daar graag even de familiegraven opzoeken. Het was daar ook niet te doen met bodembedekkers die wij geplant hadden. Paul Sietse heeft daar het graf van vader en moeder van der Kolk weer in orde gemaakt.
Er werd nu fikse buien en onweer verwacht. We hoorden al wat gerommel in de verte. Ik keek Rick eens even aan en merkte op:’ Ik zou hier maar blijven slapen’.
Hij keek even slim. ‘Alleen dan mijn fiets’, was zijn weerwoord. Hij is gehecht aan zijn eigen appartement. En zo gebeurde het. Ik bracht hem even naar de andere kant van Emmen en zijn fiets logeert hier.

Even rekenen… Meer lezen »

Twee vrienden 3 In 1935 door Engeland en Schotland

Hotel Drummonds Arms en de Koningin

Omdat we echter zondag Oban wilden bereiken lieten we Edinburgh links liggen en snelden over de Queen’s ferry en Linlithgow in de richting van Stirling. In Linlithgow zagen we nog het kasteel waar koningin Maria Stuart van Schotland het eerste levenslicht zag.
Na enkele mijlen werd het donker en we waren dankbaar dat we op het erf van de een of andere rijke grondbezitter een slaapgelegenheid zagen, dit keer stro, en sloegen hier ons bivak op. We sliepen rustig en ook de volgende morgen toen we wakker werden door rumoer op het erf liet de arbeider die er al rondliep ons met rust. Na weer een portie crisis rundvlees wierpen we ons weer in het zadel en verder ging het naar het noorden. Op de wegenkaart die we hadden zagen we bij Stirling een meertje. We hoopten daar te kunnen zwemmen maar toen we daar kwamen bleek het een soort eendenkolk te zijn waarbij ook nog aangeplakt stond ‘No swimming and fishing’. Sinds dinsdagavond hadden we geen water meer gezien en we hadden er toch op gerekend dat Engeland dat toch midden in de zee ligt zwemwater in overvloed zou hebben. In de stille hoop onze afgebeulde lichamen te verkwikken in de Atlantische oceaan, repten we ons weer voort.
Maar voor die tijd was er redding. In de stad Comrie zagen we plotseling een plank met het opschrift Swimmingpool en vlug informeerden we bij een politieagent naar de bruikbaarheid van de poel. Met brede gebaren vertelde hij ons van een rivier en minstens 10 feeth diep. Blij reden we die kant op, stopten bij een fietsenzaak en stalden onze motor, verwonderd nagekeken door de fietsenmaker die maar niet kon begrijpen dat we met die motregen zin hadden in zwemmen.
Weer een tegenvaller. Het water was geen 10 voet diep, maar 10 voet breed en de bodem lag zo vol keien dat ik besloot met mijn schoenen aan te zwemmen. Maar zwemmen werd het niet. Het was te ondiep en we kregen alleen schaafwonden op borst en buik door die keien op de bodem. We gingen terug naar de fietsenmaker die ons al stond op te wachten en waar we een amusant gesprek mee hadden. Hij vertelde ook dat de Koningin van Holland in een plaatsje 7 km verderop logeerde met de prinses. Het stikte er zo van de journalisten en toeristen dat er geen bus meer mocht rijden, uit eerbied voor Hollands Koningin. En hoewel we eerst niet van plan waren St Fillans te bezoeken, besloten we toch te gaan om te kijken of we de Koningin nog zouden zien en in ieder geval om in haar hotel thee te drinken.
En zo gebeurde het dat op zaterdag 10 augustus om 2 uur twee verreisde Nederlanders met besmeurde kleren en een afzichtelijke motor waar wel de Nederlandse vlag op wapperde, voor het hotel Drummonds Arms in St Fillans stopten, waar onze geliefde koningin logeerde. We moesten even de moed verzamelen en stapten toen de hoofdingang binnen. Een portier die dacht dat wij gezanten waren van een vreemde mogendheid, vroeg ons buigend naar onze wensen, terwijl hij ons het boek wees waar we onze namen in konden zetten.
Beleefd gaven we te kennen dat we graag thee zouden willen gebruiken. Voor we echter de grote deftige hal werden binnen gelaten werden we verzocht onze motorkleding af te doen en ons wat op te knappen. Dat deden we, wel hielden we onze beenbekleding aan en ik zag dat Hans nog had vergeten het grote mes dat in zijn laars stak weg te halen. Nadat we zo een ogenblik hadden gezeten, bekritiseerd door een aantal deftige gasten terwijl wij onze motor in de gaten hielden die door een 20 tal toeristen en personeel bewonderd werd, kwam de thee mèt een schaal gebak. ‘Dat gaat ons geld kosten’, fluisterde ik tegen Hans.
‘Dat kan niks schelen’, vond hij, ‘we gebruiken dan toch onze lunch in het hotel waar onze koningin is’. Iets verderop aan een tafeltje zaten twee deftige wat oudere heren. We hadden steeds Engels gesproken, maar een van hen die op ons had gelet mengde zich plotseling in ons gesprek: ’Zo jongelui, jullie zijn Hollanders’. We keken hem verwonderd aan, aan de ene kant omdat hij mij ook onder jongelui verstond, deed me goed. Aan de ander kant begrepen we dat ze tot het gevolg van de Koningin behoorden. Ze vroegen ons nauwkeurig uit over waar we vandaan kwamen en waar de reis naar toe zou gaan. Beleefd vertelden we onze plannen en vroegen meteen of H M de Koningin ook in het hotel was, maar ze bleek die morgen te zijn uitgereden. We begrepen dat we geen kans zouden krijgen haar te zien. We gingen verder met onze pot thee en de schaal met gebak. Ikzelf durfde niet veel te nemen hoewel ik razende honger had. Sjoerd was wijzer, hij nam er flink van en zei: ’Dat zal ons straks genoeg kosten’. Dat bleek waar, nadat we nog een paar ansichtkaarten hadden geschreven verlieten we Hotel Drummond 5 gulden armer, wat gerekend de lage koers van het Engelse pond een aan zienlijk bedrag was. Na een lange blik op het hotel, nog steeds een kleine hoop om Hare Majesteit voor een van de ramen te ontwaren om naar ons te wuiven gingen we verder naar Loch Earnshead. We hadden graag staande voor het hotel wel het Wilhelmus voor haar willen zingen.
Ineens kwam de zon te voorschijn tussen de wolken en Hans greep vlug zijn fototoestel om nog gauw een foto te maken van het Drummond Arms Hotel en behendig zwaaiden we ons op de motor, nagekeken door meer dan 50 man personeel en gasten van het hotel die het niet ontgaan was dat ze de motor met Hollandse vlag en echte Hollanders hadden gezien.
Inderdaad had de koningin een waar lustoord uitgezocht voor haar vakantie. Het meer waaraan het hotel ligt is meer van 10 km lang en varieert in breedte van circa 300 tot 2000 m en is omgeven door prachtige rotspartijen begroeid met loofhout en dennensoorten. Hier en daar waren kleine rotsachtige eilandjes in het meer en gaf een en ander een romantisch aanzien.
We waren hier ook graag een paar dagen gebleven, maar we hadden meer plannen. We wilden die avond nog in Oban aankomen aan de kust van de Atlantische Oceaan, 120 km verder.

Foto: Loch Earn

Twee vrienden 3 In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »