Weblog2

Memories

Vanaf 1972 logeerden we een aantal jaren in onze vakantie in een opgeknapte jachthut. bij Badenhard in de Hunsrück. Het uitzicht vanaf ons vakantiehuisje was prachtig. Je keek uit over de landerijen die bij het dorpje Birkheim horen. Dat eerste jaar ontmoetten we deze boer die met zijn koeien klaver van het land haalde. In Nederland had ik dit nooit gezien en toen we een praatje maakten wilde hij best op de foto. Ik vroeg hem nog of dit ossen waren, maar nee, dit waren gewoon melkkoeien. Hij had ook wel een tractor kunnen kopen , zei hij, maar zag de noodzaak er niet van in. Mijn vader en moeder kwamen op bezoek en pa wilde zijn collega boer graag ontmoeten. Ondanks het taalverschil begrepen ze elkaar. Na dat eerste jaar zagen we hem niet meer.

Memories Meer lezen »

Twee vrienden – 7 – In 1935 op de motor naar Schotland

Edinburgh en het Ullswater

Ik was er blij mee en even later vonden we bij een zeker mr Lung in Jeffrey street een onderkomen, nadat we hier opnieuw werden aangeblaft door een tweetal Boarding House honden.
Hier kregen we de volgende morgen tips om bezienswaardigheden op te zoeken. Ik noem vanzelf het historisch kasteel, 248 m boven de stad gebouwd, het gedenkteken van Walter Scott, de grote Schotse schrijver, een heel grote floraliaklok, het Holyrood house, dat gedeeltelijk ruïne is en nog voor militaire doeleinden wordt gebruikt .
Vanwege de nabootsing van de Areopagus van Athene wordt Edinborough ook wel het Athene van het noorden genoemd.
Sjoerd had nog zin om staande vanaf die Areopagus een rede uit te spreken tegen onzichtbaar publiek. We ontdekten ook nog het Nelson Monument en bezochten een zeldzaam groot warenhuis waar we veel bekijks hadden vanwege onze rugzak en het grote mes van Sjoerd. We wisselden nog wat geld bij een bank en om 5 uur waren we terug bij ons pension en werden opnieuw aangeblaft door de nijdige hondjes.
Een uur later zaten we weer op de motor en snelden diezelfde avond 100 km zuidwaarts naar het Lake District. In de buurt van Carlisle, dichtbij de Ierse zee, ontdekten we een weiland met wat hooimijten, voor ons geschikt als nachtverblijf. Het hek was alleen zorgvuldig afgesloten met een ketting met hangslot. Geen nood, met een zware spakenkniptang verbrak ik de ketting en slopen we het weiland in waar achter een hooimijt tal van schapen sliepen. De volgende morgen, zonder thee, waren we vroeg op pad om nog 100 km in snel tempo af te leggen. De Penrith heuvels waren we al voorbij toen we door zo’n verschrikkelijke regen werden overvallen en moesten we schuilen onder een spoorbrug. We begonnen honger en dorst te krijgen. We waren nu dichtbij een soort gebouw dat ik aanzag voor een steenoven. We dachten in zo’n ovenmond wel een lekker vuur te kunnen aanleggen. Daarvoor moesten we eerst nog over een 2 m hoge afrastering van ijzeren staven en prikkeldraad, maar met het vooruitzicht op een heerlijke warme maaltijd en krachtige thee was dat zo gebeurd. Helaas, het mocht niet zo zijn. Er kwamen twee ruige monsters uit die ovenmond, knipperend met de ogen tegen het licht. Het waren twee bruine beren die hier door iemand waren ondergebracht. Ze lieten ons nog net de tijd om weer over de afrastering terug te klimmen.
Intussen was het droog geworden en we kwamen bij het Ullswater aan, een van Engelands mooiste meren, omringd door bergen. Hier sloegen we ons bivak op, maakten een groot vuur en zorgden voor onze maaltijd. Nu besloten we eerst te gaan zwemmen. Wel had een vriendelijke schaapherder ons gewaarschuwd voor koude stromen en gevaarlijk water maar wij de stoere zwemmers van Vordens wateren durfden dat wel aan. We besloten om dwars over het meer te zwemmen dat we schatten op 700m.. Toen we naar mijn mening op de helft waren zag ik bezwaren. Rustend, op de rug liggend op het water bespraken we de toestand. Ik besloot terug te keren, Sjoerd wilde echter over. Toen ik weer aan de wal was zag ik niets meer van Sjoerd. Waar was hij? Aan de andere kant kon hij nog niet zijn. We waren misleid door de bergen op de achtergrond, de afstand was minstens 2 km. Met de kijker zocht ik het meer af, maar ik zag hem niet. Met de hand aan de mond schreeuwde ik zo hard ik kon: ’Sjoerd…!’ Ik vernam niets, de wind stak op en joeg de golven hoog op. Ik werd doodsbang, waar was Sjoerd? Wat hield dit meer verborgen, Ullswater, een geheimzinnig klinkende naam. In mijn verbeelding zag ik al inktvissen verborgen in dit vreemde water, hun grijparmen en zuignappen uitstrekkend naar Sjoerds lichaam. Ze haalden hem naar onder en ik, ik moest werkeloos toezien, kon niet helpen. In mijn verbeelding zag ik al een zwarte spitse kop opduiken, een zeeslang misschien? O Sjoerd, waren we toch maar hier gebleven en ik gooide een stuk rots naar het vermeende zwarte ding dat dan verdween en dan weer op zwiepte. Gelukkig, ik zag weer helder en besefte dat het een dode tak was die ergens vastgedreven zat tussen de rotsblokken. En kijk, hoorde ik niet een zwak geluid van de overkant. Hoorde ik niet roepen:’Bervo… Bervo..!’
Ik greep mijn kijker en ja, daar zag ik aan de overkant mijn vriend op de helling van de berg, lilliputterig klein. Maar hij was het. Een half uur later was hij terug en wij maakten ons klaar om verder te reizen, maar wel nadat ik hem even vaderlijk toegesproken had. We passeerden het bergdorpje Watermillock en reden over de gevaarlijke Kirkstone pas verder langs Windermere.

Twee vrienden – 7 – In 1935 op de motor naar Schotland Meer lezen »

Twee vrienden- 6- op de motor naar Schotland 1935

Our hiding place

Hier gebruikten we ons supper en we rekenden af met onze vriendelijke gastvrouw, van een toenadering tussen haar en mijn vriend werd het toch niet wat. Bepakt en gezakt zochten we onze trouwe Triumph motor op om ons hopelijk weer naar het zuiden te brengen. Toen we hem aanporden gaf hij alleen wat snikkende geluiden en liep geen meter verder dan we hem duwden. Wat was dat? Twee dagen rust en dan niet meer willen? Plotseling ging ons een lichtje op. We hadden twee dagen een bruin leventje gehad en de motor doornat achter een schutting geduwd. Hij had geen zonestraal gevoeld en geen drupje gehad. We hielden stil bij een garage en pompten zijn stalen romp vol met benzine, dat was voor hem als de heerlijkste lekkernij voor de meest verwende toerist.. Zingend, loeiend en brullen stoof hij de weg over. Waar we die nacht moesten doorbrengen was me nog een raadsel. Mijn vriend had wel een plan gemaakt. De hele dag had hij het er over gehad om ergens aan een meer of bij een waterval in de openlucht te kunnen slapen. De streek waar we nu doorkwamen werd woester en eenzamer. Slechts hier en daar een loods van verroest blik en verveloze planken waar bergbewoners in hadden gekookt en geslapen. Verder niets. Het werd intussen donker en als ik het er over had om hier maar in te kruipen haalde hij zijn neus hier voor op en ik kon hem niet op andere gedachten brengen. Eindelijk, het was intussen 10 uur kwamen we bij het Loch Tay en op een plek waar een riviertje bruisend uit een rotsspleet kwam denderen riep hij:’Bervo, hier is our hiding place’. Zuchtend gaf ik toe.
Mijn vriend was een en al bedrijvigheid. Hij vond een geul waar zijn lichaam precies in paste. Na ons avondgebed gingen we de nacht in. Al gauw hoorde ik mijn kameraad lekker snurken maar ik kon de slaap niet vatten. Onrustig schoof ik maar over de harde rotsbodem heen en weer en keek naar de maan die als een heldere schijf haar licht verspreidde en de talloze sterren als nachtkaarsen fungeerden. Ik kon de slaap niet vatten en dacht aan mijn vrouw en dan weer aan al die plekken op eenzame vlakten en rotsholen waar ik in mijn jeugdjaren wel eens geslapen had. Mijn jonge vriend snurkte nu luid, lag vast in zijn rotsgeul en lachte zelfs in zijn slaap. Even kwam zijn hand naar boven en maakte hij een afwerende beweging. Even vertrok zijn gezicht. Waar dacht hij aan? Ha, nu begreep ik het… Nee, hij wilde haar niet…. Miss Rossal, onze vriendelijke gastvrouw uit Oban.
Toch moet ik in slaap zijn gevallen want ineens was het helder licht. Ik maakte gauw een vuurtje. We warmden onze verkleumde ledematen en zetten thee en aten wat. Toen bestegen we ons stalen ros weer. Met de middag waren we bij Loch Cathrine, een buitengewoon mooi meer in de buurt van Glasgow.
Hier waren we aan het begin van de Trossachs, naar men zegt een van de mooiste wegen ter wereld. Het woord Trossachs betekent borstelig ruw terrein en de ingang heet hier de Gorge of the Trossachs, de strot of keel naar een borstelig ruw terrein.
Inderdaad zijn deze woeste eenzame bergengten niet in woorden uit te drukken. Ik zou willen dat jullie allemaal dit zouden kunnen zien. De weg liep zo langdurig en steil af dat we de motor in de kleinste versnelling, zonder gas, op zijn eigen compressen remmend, nog steeds de voetrem gebruikend nog te veel vaart kregen. Zo kwamen na meer dan 7 km in het stadje Aberfoyle aan. Die avond om 9 uur waren we op 1 uur afstand van Edinburgh gekomen.
We maakten een vuurtje onder de brug van de hoofdverkeersweg van takken van een dode wilg die door mijn goede vriend was gesloopt. Hier kookten we ons eieren en we verbaasden ons er over dat niemand op ons lette. Daarna reden we full speed naar Edinburgh. Midden in de stad om half 11 ’s avond informeerden we naar een logement van het Leger des Heils of een opvang voor zwervers.
Een jongen wees ons grijnzend naar een hoog en onaanzienlijk gebouw, 50 m verderop.
Daar zagen we een soort vrouwen staan voor het huis, op de stoep en in de gang die er schameltjes uitzagen, soms een sigaret inde tandeloze mond en van alle leeftijden. Een lange meisjesachtige vrouw in een rode mantel vroeg:’What do you want?’ We begrepen intussen dat dit een nachtopvang voor vrouwen was. We vroegen naar het tehuis voor mannen van de Salvation Army. Het was een halve mijl zuidelijk en even later stonden we voor het gebouw. Nu was het mijn beurt. Een groep van 50 mannen en jongens verdrongen zich intussen om onze motor met de Hollandse vlag. Een deel bleef nieuwsgierig bij mijn vriend staan. Hij maakte ook een vreemde indruk met zijn blauwe mutsje, een door de reis gehavende leren jas, militaire broek tot aan de knieën waarin een groot mes stak. Hij had een rugzak waaraan een aluminium keteltje bengelde, voor een deel glimmend en een deel zwart berookt. Ze bestormden hem met vragen terwijl anderen mij volgden de trap op naar het kantoortje. Een brede grote officier keek verwonderd op toen ik hem onze wensen kenbaar maakte. Hij vroeg of ik wel wist dat we vooraf in bad moesten en onze kleren ontluisd zouden worden, enz., enz., en dat we op een mannenzaal op primitieve matrassen met 100 andere mannen zouden slapen. Ik wist dit nog omdat ik in een grote stad in Amerika in een soortgelijk onderkomen had geslapen en daar de andere morgen gehavend door de wandluizen vertrok. Maar ik stemde toe, we hadden immers afgesproken om dit mee te maken. Ik ging weer naar beneden en stuurde nu mijn mede reiziger naar boven om het een en ander te bekijken. Die was vanwege zijn rugzak zo breed dat ze voor hem een vouwdeur moesten openen om op de slaapzaal te komen. Er waren al meer zwervers gearriveerd. Sommigen lagen al in hun nest. Anderen wandelden sigaretten roken in schamele onderkleding rond. Weer anderen waren aan het eten, brood of een kom havermout, hard gekookte eieren, een stuk gebraden haan. Er liep er zelfs een met een gebraden schaapskop rond. Het was zo’n ontstellende aanblik dat hij zwijgend als het graf weer bij me kwam.
‘Wel?’, vroeg ik hem. Hij knikte en zei: ’Laten we een garage voor onze motor zoeken’. Een straatje om vonden we er een en toen we hem opgeborgen hadden liepen we opvallend stil weer terug. Eindelijk verbrak ik de stilte. ‘Wat denk je ervan?’
‘We hadden beter onder de blote hemel kunnen slapen’, was zijn antwoord.
‘Dat gaat ons hier in de stad niet lukken’, was mijn mening.
‘Maar dat gaat evenmin als je voor je plezier uit bent in zo’n onderkomen bij zulk verdierlijkt gezelschap te slapen’, beweerde hij daarop
‘Zullen we dan een Boarding House opzoeken?’, stelde ik voor.
‘Alsjeblieft’, zei hij volmondig.

Twee vrienden- 6- op de motor naar Schotland 1935 Meer lezen »

Twee vrienden -5- In 1935 door Engeland en Schotland

Zondag in Oban en de Fingal’s cave

Zondagmorgen. Heerlijk vonden we het om de motor voor één dag te laten staan. We gingen om 10 uur naar de kerk. Mijn collega, de koster, gaf ons een goede plek. Hij had meteen in ons vreemdelingen herkend. We zaten dichtbij de predikant en konden zijn meditatie heel goed volgen. Het gezang deed ons weldadig aan. Een klein koortje gaf de leiding en er werd gezongen op hele en halve noten.
’s Middags wandelden we door de stad naar de zee en hier viel ons de rust op zondag op. Er liep geen bus, de boten in de haven lagen voor anker. Bioscopen waren gesloten en er was geen enkele winkel open. Aan het strand werd gewandeld maar er waren weinig zwemmers. Wandelend langs de steile rotsen ontdekte ik toch zowaar tussen allerlei bloemen en planten het sidderkruid.. Hans lachte er om maar ik kroop met moeite de steile wand en greep een exemplaar van het rode sidderkruid en toen ik diezelfde avond een brief aan mijn vrouw schreef sloot ik het sidderkruid er bij in zonder dat ik het Sjoerd liet merken.
De volgende morgen stond de zon al hoog aan de hemel toen Hans aan mij arm rukte met een schreeuw:’Bervo, allé d’r uit, we moeten naar de Fingal’s grot’. Ineens was ik klaar wakker. Een half uur later liepen we al in de stad op zoek naar een schoenmaker, Sjoerd zijn schoen was kapot. Het kostte veel moeite om die gerepareerd te krijgen, overal wezen ze ons af. Ze dachten dat we Duitsers waren. Tenslotte vonden we een oorlogsinvalide die begreep dat wij Hollanders en geen Duitsers waren. De schoen was toen snel gerepareerd.
We haalden nu snel een kaart voor een tochtje op de Loch Tyne dat ons naar de eilanden Staffa en Iona zou brengen. Na een reis van 5 uur, eerst door de zeearm Kerrera Sound en daarna op de Atlantische Oceaan zagen we in de verte Staffa in de oceaan oprijzen. Het is een naakte steile rots, een paar honderd meter hoog, onbewoond en met een omtrek van slechts 3 km. Alleen bij kalm weer is de grot te bereiken. Met ander boten werden we naar het eiland geroeid. We hadden zoveel van deze bijzondere grot gehoord dat onze verwachtingen hoog gespannen waren. Wat we zagen was echter zo groots en geweldig, zo ontzagwekkend dat het ons in verrukking bracht en wat ons stil en klein maakte.
Loodrecht uit de zee oprijzend, honderden voeten hoog stonden daar zes- en achthoekige pilaren van donkergrijze, bijna zwarte basalt steen, regelmatig naast elkaar. Geen architect had ze er beter in kunnen plaatsen. In het midden van de zuilen was een torenhoge opening met een breedte van 20-50 m. Na een vermoeiende klimpartij over rotsen, alle op afgeknotte zuilen of een soort kegels lijkend, dan weer lager dan weer hoger, bereikten we de ingang van de grot, de Fingal’s cave. Sjoerd was dankzij zijn snelheid en kracht een van de eersten van de honderden bezoekers. Toch was ik ook redelijk snel, nog geen 20 voor me, ik heb het te danken dat ik nog steeds mijn zware lichaam oefen in motorrijden en zwemmen.
Daar stonden we dan in een der indrukwekkendste grotten ter wereld.
Hier werd niet gelachen in Gods heiligdom zoals deze plaats genoemd moet worden. De golven van de oceaan sloegen met ontembare kracht tegen de rotswand achter in de grot. Het schuim spatte hoog op. We hoorden onophoudelijk een alles overstemmend geluid als het rommelen van de donder. En terwijl we achter het hoog opspattend schuim van de golven stonden zagen we op zee de prachtigste regenboog. Hoog boven ons was een prachtige zoldering van zuilen en nog eens zuilen samengesteld.
Wanneer de golven beneden stukgeslagen terugvloeiden zagen we de granietzuilen in een peilloze diepte tot aan de bodem der zee gaan.
Walter Scott, de bekende Schotse schrijver, heeft een gedicht gemaakt over deze Fingal’s cave. Onze dichter Nicolaas Beets vertaalde het zo:
Als om de hoogmoed af te wijzen
Op menselijke kunst en vlijt
Deed hier Natuur een Dom verrijzen
Aan de eer haar Schepper toegewijd
Neen met geen ander doel verhogen
De trotse zuilen hier de bogen
Neen met geen ander oogmerk ruist
De branding die hier kookt en bruist
En bij ontzagbre tussenpozen
Uit dit eerwaardige gewelf
Een weergalm lokt van wat zij zelf
Heeft tot haar eeuwig lied verkozen
Een weergal van veel schoner klank
Dan orgeltoon of koorgezang
Wel mag vanuit het schuim der baren
Dit heiligdom op ’t Uwe staren
Iona en Uw trotse kerk
Van heerlijkheid tot puin vervallen,
O zoon des stofs, verleer uw brallen
Dat was uw maar hier is Godes werk

Onze koers richtte zich nu naar dat Iona met zijn in puin gestorte kathedraal, waarop Beets in deze laatste regel zinspeelde. Maar eerst kon Hans de verleiding niet weerstaan om naar het hoogste punt van het eiland te klimmen en daar van bovenaf een foto te nemen van de ingang van Fingal’s grot. Ik probeerde hem nog te volgen maar buiten adem keek ik hem jaloers na terwijl hij als een klipgeit heen en weer rende.
Na een uur varen waren we op Iona. Dit eiland is ongeveer 4 keer zo groot als Staffa en wordt bewoond door ongeveer 300 mensen. De woningen liggen verspreid in het dorp, wel met sporen van ouderdom maar netjes onderhouden. De in puin gestorte kerk uit de 12e eeuw en een ruïne van een vermaard kasteel waren het interessantste hier.
In een gedeelte van de kerk werd nog een dienst gehouden, in een ander gedeelte was een keurig onderhouden graftombe van een van de vroegere vorsten van het eiland. Verderop was een kerkhof waar Schotse koningen begraven waren. Een gids vertelde over een zekere Colomba die alle vrouwen van het eiland had verbannen omdat vrouwen alleen maar last veroorzaakten. Dat veroorzaakte onder de dames en heren een hevig gelach. Maar de gids was hier buiten de waarheid. Genoemde Colomba was een van de eerste zendelingen die in het jaar 563 na Chr. Met 12 metgezellen hier kwam om het evangelie te verkondigen.
Hier op het eiland ontmoetten wij ook de eerste doedelzakspeler. Er was op dit eiland weinig natuur te zien uitgezonderd 1,5 m hoge fuchsiahagen die in volle bloei stonden. Prachtig!
We stapten weer op de boot en na een schitterende reis van een paar uur waren we weer in Oban. We kochten snel wat ansichtkaarten en gingen gauw weer naar ons pension waar het Bourding hondje ons weer nijdig aangrijnsde.

Twee vrienden -5- In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »

Twee vrienden -4- In 1935 door Engeland en Schotland

Naar Oban 4

De motregen van die morgen was nu overgegaan in stortregen met vliegende storm wat de reis niet gemakkelijker maakte. Maar met krakend geweld trok onze motor tegen storm en regen in, over steile hellingen en diepe afgronden. Dankzij de hevige regen was het verkeer wel minder geworden. Ook zagen we nu geen schapen meer op de weg. Opeens zagen we bij een kromming in een bergpas een paar motorrijders aan de kant van de weg bij hun vehikel staan. Een man en een vrouw stonden daar met angstige gezichten, hopend op hulp. We dachten hetzelfde: proberen te helpen. We sprongen van de motor en vroegen waarmee we zouden kunnen helpen. Door de hevige stortregen was hun magneet vol water gelopen. Het lukte me wel het ding weer aan het vonken te krijgen, maar de motor had niet de kracht om ze tegen de steile helling op te krijgen waar wij net van af kwamen. En wij hadden geen tijd om ze er tegen op te trekken omdat we die dag nog vele kilometers moesten afleggen voor we ons einddoel bereikten.
Onze weg ging nu door een soort vallei. Links was een snelstromende beek, zo’n 10 m lager dan de weg. Aan de overkant van de beek hoge bergen en aan onze kant net zo, wel ongeveer 7 à 800 m.
Door de hevige regen hadden zich tal van beekjes gevormd vanaf de top van de bergen die met donderend geraas grote hoeveelheden water afvoerden naar de beek naast ons. Onder het wegdek door waren hier en daar in de rotsbodem openingen gemaakt waar het water door kon om dan in de beek te storten die een wild stromende alles meesleurende bergstroom was geworden. Waarschijnlijk hebben dat ook de toeristen ondervonden waarvan we de auto een mijl of 6 verderop zagen die naar beneden was gestort en er als een verwrongen en vormloze massa bij een grillig gevormde rots in de bedding van de rivier lag. Van de bemanning geen spoor…
Er waren geen huizen in de omtrek om nog te informeren. We hopen maar dat de toeristen het er levend van af hebben gebracht en rillend bij de gedachte dat ons dit ook had kunnen overkomen zetten we onze reis voort. Enkele kilometers verder drong de bergstroom zich onder een hoog ommuurde brug en verdween rechts tussen twee bergen.. Wij daalden snel links af, de diepte in tot we kilometers verder bij de oever van het Loch Awe kwamen, weer een van de beroemde Schotse meren. Wat kilometers verder hoorden we zo’n donderend geraas, dat ver boven de geweldige storm en het puffen van onze motor uitklonk, dat we ondanks de haast die we hadden stil hielden om naar de oorzaak te zoeken. Een kromming in de weg en hoog opgaande bomen hadden een machtige waterval voor onze ogen verborgen gehouden. We waren verrukt. ’t Was dezelfde rivier waarlangs we zolang hadden gereden en die zich hier door een rotsengte, een soort bergpas, wrong en zich in het Loch Awe stortte.
Het was zo geweldig, zo schilderachtig mooi, dat we de motor aan de kant van de weg lieten staan. Druipnat en zwijgend klommen we beiden langs de steile rotsen omhoog tot meer dan 80 m om van boven de watermassa’s omlaag te zien storten.
Een spreekwoord zegt: het leste heugt het beste. Inderdaad, ik heb al veel watervallen gezien, ook grotere dan deze, maar ik meen echt dat dat ik nimmer iets interessanter heb gezien dan deze zich wild omlaag stortende bergbeek met aan beide kanten hoog opgroeiend loofhout.
De tijd drong, het was al 8 uur en we moesten nog 75 km voor we ons einddoel bereikten, Oban aan de Atlantische Oceaan.
Het landschap werd steeds woester, de weg gevaarlijker en smaller, huizen nog schaarser, maar met alles trotserende kracht sleepte onze oude motor ons helling op en af. Wanneer ik de gashevel iets verder los zette, loeide het vuur heviger op in de ingewanden van de oude Triumph en angstkretend slakend rende hij met wilde woede voort in de richting van Oban.
Eindelijk om half 11 in de avond stapten twee tot op het bot doorweekte Hollanders van hun motor en stonden in de lege straten van Oban. We zagen een eenzame wandelaar en vroegen hem naar een goedkoop pension want zo druipnat als we waren en stijf van de kou, zou het een aanslag op onszelf zijn geweest om onder de blote hemel te slapen.
‘Uit welk land? ’, vroeg de eenzame wandelaar terwijl hij ons onderzoekend aankeek.
‘Holland’, antwoordden wij.
‘Ga naar miss Rossal in Dalmallystreet en zeg haar dat ik, A.M. Pherson, u zend’. Binnen enkele minuten hadden we het gevonden en gelukkig brandde er nog licht. We stapten door het hekje een klein tuintje binnen, belden aan en de deur ging open. Met een snelle sprong en woedend geblaf passeerde de nijdige hond de slanke dame die ons open deed. – ‘De Bourding house hond’, fluisterde Hans mij in het oor. Het was weer een van die nijdige hondjes die we al vaker waren tegen gekomen. We waren echter nu zo nat en zagen er zo verwilderd uit dat deze hond bang wegkroop toen hij ons beter bekeek.
De dame die ons open deed was amper 30. Ze keek ons vragend aan en vlug zeiden we haar waarvoor we kwamen. In roerende bewoordingen vertelden we over onze ellende en wezen op onze druipnatte kleding. Ze wenkte ons met de hand binnen en zei glimlachend: ’Come in’.
Ik kende geen muziek hoe welluidend ook die ons lieflijker in de oren kon klinken dan dit: come in.. En toen ze er nog aan toevoegde: ’I fix you up, you are hungry. I guess I make supper ready for you’. We hoorden nauwelijks dat ze hevig stotterde. In mijn gedachten smeedde ik stiekem het plan ommijn vriend verliefd op haar te laten worden. Maar behalve dat hij zich niets laat opdringen, begreep ik ook dat ik hem voor de rest van de reis niet missen kon.
Onze motor, de trouwe metgezel die ons door storm en regen droeg, mocht niet mee naar binnen. Er was geen ruimte. Voorzichtig zetten we hem via een zijweggetje naar achteren en zetten hem tegen een schutting. Ik klopte hem nog even als dank, onze trouwe vriend. We hadden nog een stel reserve kleren in onze rugzak en verkleedden we ons snel en gaven onze natte kleding af aan onze gastvrouw om te laten drogen. En daarna gingen we aan een verrukkelijke maaltijd. Toen we een half uur later in een heerlijk bed lagen en God gedankt hadden kwam er een weldadig gevoel over onze geradbraakte lichamen en zakten we snel weg in een diepe slaap.

Foto: de woeste waterval bij het Loch Awe

Twee vrienden -4- In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »

Twee vrienden 3 In 1935 door Engeland en Schotland

Hotel Drummonds Arms en de Koningin

Omdat we echter zondag Oban wilden bereiken lieten we Edinburgh links liggen en snelden over de Queen’s ferry en Linlithgow in de richting van Stirling. In Linlithgow zagen we nog het kasteel waar koningin Maria Stuart van Schotland het eerste levenslicht zag.
Na enkele mijlen werd het donker en we waren dankbaar dat we op het erf van de een of andere rijke grondbezitter een slaapgelegenheid zagen, dit keer stro, en sloegen hier ons bivak op. We sliepen rustig en ook de volgende morgen toen we wakker werden door rumoer op het erf liet de arbeider die er al rondliep ons met rust. Na weer een portie crisis rundvlees wierpen we ons weer in het zadel en verder ging het naar het noorden. Op de wegenkaart die we hadden zagen we bij Stirling een meertje. We hoopten daar te kunnen zwemmen maar toen we daar kwamen bleek het een soort eendenkolk te zijn waarbij ook nog aangeplakt stond ‘No swimming and fishing’. Sinds dinsdagavond hadden we geen water meer gezien en we hadden er toch op gerekend dat Engeland dat toch midden in de zee ligt zwemwater in overvloed zou hebben. In de stille hoop onze afgebeulde lichamen te verkwikken in de Atlantische oceaan, repten we ons weer voort.
Maar voor die tijd was er redding. In de stad Comrie zagen we plotseling een plank met het opschrift Swimmingpool en vlug informeerden we bij een politieagent naar de bruikbaarheid van de poel. Met brede gebaren vertelde hij ons van een rivier en minstens 10 feeth diep. Blij reden we die kant op, stopten bij een fietsenzaak en stalden onze motor, verwonderd nagekeken door de fietsenmaker die maar niet kon begrijpen dat we met die motregen zin hadden in zwemmen.
Weer een tegenvaller. Het water was geen 10 voet diep, maar 10 voet breed en de bodem lag zo vol keien dat ik besloot met mijn schoenen aan te zwemmen. Maar zwemmen werd het niet. Het was te ondiep en we kregen alleen schaafwonden op borst en buik door die keien op de bodem. We gingen terug naar de fietsenmaker die ons al stond op te wachten en waar we een amusant gesprek mee hadden. Hij vertelde ook dat de Koningin van Holland in een plaatsje 7 km verderop logeerde met de prinses. Het stikte er zo van de journalisten en toeristen dat er geen bus meer mocht rijden, uit eerbied voor Hollands Koningin. En hoewel we eerst niet van plan waren St Fillans te bezoeken, besloten we toch te gaan om te kijken of we de Koningin nog zouden zien en in ieder geval om in haar hotel thee te drinken.
En zo gebeurde het dat op zaterdag 10 augustus om 2 uur twee verreisde Nederlanders met besmeurde kleren en een afzichtelijke motor waar wel de Nederlandse vlag op wapperde, voor het hotel Drummonds Arms in St Fillans stopten, waar onze geliefde koningin logeerde. We moesten even de moed verzamelen en stapten toen de hoofdingang binnen. Een portier die dacht dat wij gezanten waren van een vreemde mogendheid, vroeg ons buigend naar onze wensen, terwijl hij ons het boek wees waar we onze namen in konden zetten.
Beleefd gaven we te kennen dat we graag thee zouden willen gebruiken. Voor we echter de grote deftige hal werden binnen gelaten werden we verzocht onze motorkleding af te doen en ons wat op te knappen. Dat deden we, wel hielden we onze beenbekleding aan en ik zag dat Hans nog had vergeten het grote mes dat in zijn laars stak weg te halen. Nadat we zo een ogenblik hadden gezeten, bekritiseerd door een aantal deftige gasten terwijl wij onze motor in de gaten hielden die door een 20 tal toeristen en personeel bewonderd werd, kwam de thee mèt een schaal gebak. ‘Dat gaat ons geld kosten’, fluisterde ik tegen Hans.
‘Dat kan niks schelen’, vond hij, ‘we gebruiken dan toch onze lunch in het hotel waar onze koningin is’. Iets verderop aan een tafeltje zaten twee deftige wat oudere heren. We hadden steeds Engels gesproken, maar een van hen die op ons had gelet mengde zich plotseling in ons gesprek: ’Zo jongelui, jullie zijn Hollanders’. We keken hem verwonderd aan, aan de ene kant omdat hij mij ook onder jongelui verstond, deed me goed. Aan de ander kant begrepen we dat ze tot het gevolg van de Koningin behoorden. Ze vroegen ons nauwkeurig uit over waar we vandaan kwamen en waar de reis naar toe zou gaan. Beleefd vertelden we onze plannen en vroegen meteen of H M de Koningin ook in het hotel was, maar ze bleek die morgen te zijn uitgereden. We begrepen dat we geen kans zouden krijgen haar te zien. We gingen verder met onze pot thee en de schaal met gebak. Ikzelf durfde niet veel te nemen hoewel ik razende honger had. Sjoerd was wijzer, hij nam er flink van en zei: ’Dat zal ons straks genoeg kosten’. Dat bleek waar, nadat we nog een paar ansichtkaarten hadden geschreven verlieten we Hotel Drummond 5 gulden armer, wat gerekend de lage koers van het Engelse pond een aan zienlijk bedrag was. Na een lange blik op het hotel, nog steeds een kleine hoop om Hare Majesteit voor een van de ramen te ontwaren om naar ons te wuiven gingen we verder naar Loch Earnshead. We hadden graag staande voor het hotel wel het Wilhelmus voor haar willen zingen.
Ineens kwam de zon te voorschijn tussen de wolken en Hans greep vlug zijn fototoestel om nog gauw een foto te maken van het Drummond Arms Hotel en behendig zwaaiden we ons op de motor, nagekeken door meer dan 50 man personeel en gasten van het hotel die het niet ontgaan was dat ze de motor met Hollandse vlag en echte Hollanders hadden gezien.
Inderdaad had de koningin een waar lustoord uitgezocht voor haar vakantie. Het meer waaraan het hotel ligt is meer van 10 km lang en varieert in breedte van circa 300 tot 2000 m en is omgeven door prachtige rotspartijen begroeid met loofhout en dennensoorten. Hier en daar waren kleine rotsachtige eilandjes in het meer en gaf een en ander een romantisch aanzien.
We waren hier ook graag een paar dagen gebleven, maar we hadden meer plannen. We wilden die avond nog in Oban aankomen aan de kust van de Atlantische Oceaan, 120 km verder.

Foto: Loch Earn

Twee vrienden 3 In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »

Twee vrienden -2- In 1935 door Engeland en Schotland

De oude Triumph

Wat mij betreft, het zien van deze prachtige natuur ontroerde mij. Ik dacht aan de bergachtige landschappen die ik eerder zag. Ik haalde diep adem en keek rond terwijl de tranen over mijn wangen stroomden. Beiden dachten we hetzelfde en waren dankbaar om dit alles liet te mogen zien.
We naderden Ripon en nu zou blijken of die oude Triumph motor in staat zou zijn ons tegen de sterke hellingen op te trekken, want hier stond een waarschuwingsbord: Dangerous steep hills, narrow bridge. Maar de oude Triumph motor die misschien wel blij was om weer in zijn vaderland terug te zijn, vloog letterlijk tegen de berg op. Ik kon nog net een traan onderdrukken toen ik aan zijn vorige eigenaar dacht, die in zijn leven veel goeds had gedaan en nu in een sanatorium voor longzieken lag weg te kwijnen.
In het hooggelegen Ripon konden we ver kijken en konden de kreten van bewondering niet onderdrukken. In de verte zagen we weer groene velden met vee, afgewisseld met goudgele graanvelden terwijl de dalende zon haar stralen over dit heuvelachtige landschap liet glijden.
Na de motor van de nodige brandstof te hebben voorzien reden we verder tot Barnard Castle, een schilderachtig dorp met een heel groot oud kasteel. De rotsen werden al hoger en er wrong zich een rivier bruisend tussen twee geweldige rotsmuren door om dan kletterend naar beneden te storten. Terwijl we dit natuurschoon bewonderden kregen we dorst en zagen dichtbij een kantine dat door een aardig meisje werd bediend en we besloten daar onze dorst te lessen. We waren onbekend met de soorten drank hier en besluiten haar raad op te volgen en voor een paar shilling een drank te kiezen dat een balsem voor onze kelen zou zijn. We dachten er al gauw hetzelfde van: Het was niet verkeerd, maar het was een soort dropwater waar je hoestende kinderen mee naar bed stuurt en besloten in het vervolg alleen thee en water te drinken.
Het was bijna avond en we begonnen uit te kijken naar logies voor de nacht. Een hotel kwam niet in ons brein op, dus we gingen maar eens bij een boer vragen. Hans meende dat ze ons soort geen onderdak zouden willen geven. Ik dacht dat het wel zou gaan, ik had in mijn leven al meer rondgezworven en altijd wel een plekje gevonden.
Dichtbij Romaldkirk klopte ik aan bij een boerderij met veel bijgebouwen zoals schuren en hooibergen. Een oude vrouw met een gezicht met een kleur als levertraan, deed de deur open en als ik mijn forse lichaam er niet tussen had gedrongen het meteen weer zou hebben gesloten. Ik vertelde ons doel terwijl zij aan een ketting trok waarop een ruige hond tevoorschijn kwam die meteen begon te blaffen. Meteen strekte ze haar magere arm uit als wijlen Ursula de heks grijnzend met haat anderhalve tand en zei: ’Aan schooiersvolk geven wij geen logies’. De ruige hond sprong hoog tegen me op en Hans riep meteen: ’Heb ik het je niet gezegd?’ Ontmoedigd dropen we af en beklommen de motor en reden het dorp door in de hoop op meer succes. Na 20 minuten kwamen we langs een weide met een paar hooimijten. ‘Kijk’, riep ik, ‘ons nachtlogies’. Hans maakte nog bezwaar en mompelde nog over hooikoorts, maar het was bijna nacht en we moesten maar van twee kwaden de beste kiezen.
Tien minuten later lagen we al in het hooi en ik was nogal nijdig toen Hans me bij de arm greep en naar het weidehek wees. Inderdaad, de toestand leek niet best. Daar waren twee lichten op de weg en we hoorden stemmen. ‘Die oude heks heeft ons het hele dorp op de hals gestuurd’, meende Hans. ‘Ze jagen ons hier weg’.
‘Dat nooit’, zei ik, ‘hier heb jij een hark, ik neem de bahco sleutel en we verdedigen ons tegen dit volk’. De dorpsbewoners dropen echter langzaam af en wij konden verder slapen.Hans rolde zich onophoudelijk heen en weer, hij werd geplaagd door de muggen. Plotseling sprong hij op: ’Bervo, wat is dat?’ Er klapwiekte fladderend iets vlakbij.
Ik zag het meteen. ‘ Maak je niet bang, het is een vleermuis’. Eindelijk vielen we in slaap.
We werden wakker door de natte nevel en dat dwong ons om onze verstijfde ledematen te rekken om ze weer lenig te krijgen. Snel stapten we op en vertrokken zonder te eten tot we een plekje zouden vinden om ons iets te eten te maken. Na een uurtje rijden kwamen we bij Jad- Mois, een onaanzienlijk stadje aan de rand van een woest en bergachtig landschap.
Als we geweten hadden hoe groot dit onherbergzame landschap was hadden we eerst onze inwendige mens wel verzorgd. Zo gingen zorgeloos we dit Moor in zoals de Engelsen zulke streken noemen. Het landschap werd woester en eenzamer. De weg smal en gevaarlijk, woningen (hutten slechts) schaars. Hier en daar zocht een kudde bergschapen hun karig voedsel. Ze liepen zelfs op de weg en keken verwonderd naar ons, hoe wij als brutale Hollanders het waagden om hun domein te betreden.
De natte nevel van die morgen was intussen overgegaan in motregen wat de omgeving nog triester maakte. Het belette ons niet om onder de indruk te komen van dit schilderachtig mooie landschap.
Dan, plotseling op een kale heuveltop, begon de motor te zuchten om even later met een laatste snik midden op de rotsige weg stil te staan. Daar stonden we dan, eenzaam en ver verwijderd van stad of dorp, zonder benzine.
‘Ach Bervo’, riep Hans, ‘wat nu?’ Met kennersblik had ik de omgeving gemonsterd, we stonden op een 500 m hoge heuveltop. Dus even de motor op de vrijloop, een duwtje en heerlijk rolden we er af. De volgende kleine heuvel kregen we bijna en daarna rolden we er weer de helling af, tot we eindelijk bij een sober huisje kwamen en van de bewoonster, een herderin, wat petroleum kregen.
Er was nog een drupje benzine in de tank. Dat bliezen we in de carburator en hierop konden we starten. Gauw de petroleum erbij in en voort ging het. Zonder verdere ellende kwamen we in Brampton en hier konden we tanken en hadden gelegenheid om te eten. We kochten een stuk brood en een pot thee in een soort pension, naast de winkel van een antiquair.

Onze motor, gepakt en gezakt hadden we bij zijn winkel gezet. Woedend reageerde hij hierop en probeerde de motor te verzetten. Hij was maar kleinen tenger en balde zijn vuisten naar ons toen het niet lukte. Wij lieten ons niet van de wijs brengen en lieten ons het eten goed smaken.
‘Wil je wel geloven’, zei Hans,’ die vent wil onze oude motor in zijn winkel hebben als antiquiteit’. Inderdaad zou het ding geen gek figuur slaan in zijn winkel waarin allerlei rariteiten stonden uitgestald. Maar wij konden hem niet missen, we bestegen ons ros en zetten onze tocht in snel tempo voort Tegen de middag bevonden we ons weer midden in de heuvels, dit keer was alles begroeid met gras en loofhout. Bij een riviertje dat 300 m van de heuveltop af kwam kletteren, stopten we. We hadden ons nl. nog niet gewassen en wilden we ons ook nog scheren voor we in Edinburgh kwamen. Hier hadden we een mooie gelegenheid. De spiegel van de motor zetten we vast tussen een paar klipstenen en ziedaar onze badkamer en scheersalon was klaar, een geweldige gelegenheid in de open lucht.
Daarna maakten we onze maaltijd klaar van een blik Hollands crisis rundvlees en maakten nog een paar foto’s van de bergschapen die hier rondliepen op de weg tussen de heuvels. Dan ging het verder richting Edinburgh dat we tegen 8 uur ’s avonds bereikten.

Twee vrienden -2- In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »

Twee vrienden -1- In 1935 door Engeland en Schotland

Gisteren brachten we een bezoek aan Gerke en Wim. Gerke is mijn nichtje waarmee ik opgroeide. Steeds hielden we contact en vaak gingen we onderweg naar Schiphol of Bergen bij hen aan. Het kwam er de laatste tijd niet van maar nu kon het weer. Alle 4 zijn we ingeënt tegen corona en Wim rijdt allang weer als een tierelier. Het was een gezellig weerzien en we haalden herinneringen op aan de tijd dat we tijdens een jeugdkamp haar Wim ontmoetten. We waren nog jong maar Gerke maakte zoveel indruk op Wim dat het later wat werd en nog steeds gebleven is. Toen de eerste brief van Wim aan oudste dochter Gerke bij de familie op de mat viel was de reactie van vader Sjoerd: ’Daor begint het gesodemieter al’
Toen ik opzij keek zag ik tot mijn verrassing een mapje met de bekende foto van Bervo en haar vader voorop. Het was een dagboekverslag van hun reis op de motor door Engeland en Schotland in 1935. Ik had er vaak van gehoord maar wist niet dat het een en ander ook was vastgelegd.
Ik werd ogenblikkelijk nieuwsgierig en ja, ik mocht het lenen. Ik ben het aan het overnemen en wat bijschaven. Het blijkt een enerverende reis van de beide vrienden. Ik kan jullie laten meegenieten en je krijgt het in hapklare brokken voorgeschoteld. Geniet ervan!

De Melrose Abbey
Met lang gerekte halzen stond het merendeel van de passagiers van de Melrose Abbey, het stoomschip dat de zomerdienst onderhield van Rotterdam- Hull, uit te kijken of ze nog geen land zagen. Want hoe interessant een zeereis ook mag zijn en hoe mooi de altijd rusteloze zee ook is, hetzij de golven die huizenhoog op en over het schip slaan of dat ze zo stil is en de onafzienbare watervlakte bijna spiegelglad, toch verlangen de reizigers altijd naar de kust.
Zo was het ook met ons die een vooruitzicht hadden een interessante motortocht te maken door midden Engeland en de Schotse Hooglanden, te danken aan mijn kameraad die hoewel het zijn eerste zeereis was zich met moeite kon losmaken van het zicht op de zee.
Toch riep hij:’ Land in zicht’. Inderdaad zagen we de Engelse kust oprijzen en we spoedden ons naar onze hut om onze bagage op te halen en naar boven te brengen. De loods kwam al aan boord om ons veilig door de ondiepten van de rivier de Humber tot in Hull te brengen. Al gauw lag de boot voor anker aan het Prince Dock, een van de vele aanlegplaatsen in Hull.
De douane kwam aan boord om onze passen de controleren en vooral om nauwkeurig te onderzoeken of we bevoegd waren om op de Britse eilanden een motor te besturen.
Inmiddels was onze motor al aan land gebracht net als de twee auto’s van toeristen, die een betere indruk maakten dan die oude motor van ons en onze eenvoudige reiskostuums. Ons Engels was blijkbaar beter en konden we de andere toeristen helpen met de afwikkeling van de reispapieren bij de douane.
Onze eerste rit zou naar de Paragon garage gaan midden in de stad Hull. Daar moesten we opnieuw allerlei vragen beantwoorden en tal van formulieren invullen omdat we in Engeland verzekerd moesten zijn. Opnieuw hadden we voorsprong op de andere toeristen door onze kennis van de Engelse taal en zeker een uur eerder dan de anderen konden wij verder met de reis. We verlieten de Paragon Garage om steeds links rijdend dwars door de stad Hull de weg in te slaan naar het 20 km noordelijker gelegen Beaverly.
Eenmaal gewend aan het links rijden zetten we de vaart er goed in. Het was immers al 4 uur in de middag en we wilden voor de avond nog 120 km verder richting Edinburgh, de Schotse hoofdstad. Zo reden we snel zonder te veel op de omgeving te kunnen letten.
Toen we plotseling dichtbij het stadje York doemde er een vrij grote rivier voor ons op. Met een ruk en een heftige trap op de rem zette ik de motor stil en riep: ’Kijk, water, laten we gaan zwemmen’. Doch wonder boven wonder, Hans de geboren waterrat had geen zin. ‘Geen tijd’, zo meende hij. ‘Bovendien krijgen we nog genoeg gelegenheid om te zwemmen, water genoeg in Engeland’. Zo besloten we maar door te snellen, we twijfelden er niet aan dat we een plek voor de nacht zouden vinden om onze vermoeide en verreisde ledematen in een verfrissend bad te kunnen verkwikken. Helaas, het werd een teleurstelling. We moesten nog honderden kilometers moeten afleggen voor we weer een gelegenheid zouden krijgen om te zwemmen.
Maar we werden afgeleid toen we het stadje York naderden. Misschien bieden de opgravingen van de steden Herculaneum en Pompeiï aan de voet van de Vesuvius meer verscheidenheid en genot aan oudheidkundigen. Wij, mensen van nieuwere tijd, waren verbaasd om zoveel oude kerken, trotse kastelen, oude gevels en half ingestorte bruggen te zien in dit stadje York.
Ik had er de hele avond wel willen blijven om alles te bekijken, maar mijn vriend porde mij aan. Hij verlangde meer naar natuurschoon, naar rotsen en bergen. Deze oude gewelven deden hem niets.
Dus nu verder naar het noorden, de eerste van een hele reeks rijen heuvels tegemoet die ons nog scheidden van Edinburgh, Schotlands hoofdstad.
Toen ineens nadat we Borough-bridge waren door getuft, veranderde het landschap. Was het tot nu toe steeds vlak geweest met slechts enkele heuvels, nu we Ripon naderden zagen we de eerste rotsgebergten, soms glooiend dan weer torenhoog voor en naast ons oprijzen. Hans kon zich niet inhouden en met een kreet van bewondering en zwaaiend met zijn muts riep hij uitgelaten: ‘Bervo, hoera, het begin van de Hooglanden’.

Foto: Stoomschip Melrose Abbey

Twee vrienden -1- In 1935 door Engeland en Schotland Meer lezen »

Geert Hanken

Geert Hanken is zijn pseudoniem. Hij schreef regelmatig over wat hem bezig hield en wat hij in zijn leven al meemaakte. Zijn leven lang was hij boer in Zuidbarge en de Hankenberghoeve was zijn plek, maar nadat zijn zoon het overnam, verhuisde hij met zijn Annie naar een appartement. Ik heb me laten vertellen dat hij daar in de Emmerhout goed werk deed door het winkelcentrum netjes te helpen houden. Dat was niet genoeg. Henk Siebring moest de buitenlucht en de natuur voelen. Hij heeft nu al jaren een volkstuin, wat zeg ik… hij heeft 7 van die stukken aaneen. Die dag, nu al 10 jaar geleden, ging ik bij hem kijken. Ik vroeg aan een buurman tuinier of Siebring hier zijn tuin had. ‘O… die oude boer? Daar bij die bloemen. Hij is er net’. Ik vond hem druk bezig met de schoffel.
’Het is gebeurd met hazen vangen’ zei de voormalig boer en jager. Dat mag ook wel als je 88 bent. Overal in zijn tuin stonden stoelen om even te gaan zitten uitrusten en mijmeren. Hij liet me zijn kunstwerk zien, zijn kruizenveld, allemaal van buxussen, want Henk was een gelovig mens. De kruizen wezen allemaal naar een blauwe winde die zich naar de boven kringelde, naar de hemel. Een paar oude schuurtjes had hij namen gegeven als Erica’s kas en loods Zuidbarge en hij heeft er een oude cabine van een vrachtauto staan waar hij Rij maar an op heeft gezet.
Och… we hadden een aangenaam half uurtje. Rick heeft ooit stage bij hem gelopen op de Hankenberghoeve en hij herinnerde zich hoe ik een keer in hun buurt bramen ging plukken, eigenlijk om te zien hoe ze samen aan het aardappels rapen waren. Hij had me door.
Hij had er een heel veld met mooie kerstdennen staan. Eind november kon je er voor € 5 een uitzoeken en er je naamkaartje zolang aan ophangen.

Geert Hanken Meer lezen »

Veranderingen

Nu de klimaatcrisis serieus aan de orde is en de boer die zijn land naast ons heeft ook biologisch gaat boeren moet ik terug denken aan de speech van tante Gerritje, ik denk dat het op haar 85e verjaardag was op 4 juli. Dat is intussen ook al 20 jaar geleden.
Tante Gerritje hield haar verjaardagsfeestje bij hotel Bakker, als ik me goed herinner, en hoewel pa al overleden was in 1995, hoorden wij als Egginks-familie daar toch steeds bij. Toen de hele familie binnen was en de koffie met lekkers naar binnen gewerkt wilde tante Gerritje iets zeggen. Ze kwam zelfs in de benen en begon:
Ze zei: ’Ik doo ’t maor in mien moderstaal, dat geet mien ’t makkelijkste af. Dan kö-j precies zeggen wa-j bedoelt. Eén van de kinder van Berdie zei mien es:’Mama praat altijd Nederlands met ons, maar als ze een keer goed kwaad wordt gaat ze verder in het Achterhoeks’. En da’s gien wonder, daor bu’j met op egruuid.
In dee 85 jaor van mien leaven heb ik völle zeen veranderen. Alle stukskes land dee d’r waren mossen benut wodden. De kolken wodden dichte egooid. A’s d’r ene ging emigreren naor Amerika of Canada dach ie da-j mekare nooit weer zollen zien. Ik hebbe de 30er jaoren met’emaak waorin de keune niks meer weerd waarn. Ik moche met mien vader naor de markt, met 12 keune ginge wie-j d’r hen en met dattiene kwamme wie-j d’r weer umdat ene boer lever zonder keune thuus kwam dan met. De kunstmest kwam en d’r kon steeds meer verbouwd wodden. De oorlog heb ik met emaak en ik dache an ’t ende d’r kan wel heel völle veranderen straks, maor de roggemealse pap zölle wie-j altied blieven etten. Ik heb et nog ene keer weer epruufd en nao dee tied nooit weer. De auto’s kwammen en de machines en ze hadden minder mensen neudig um ’t wark te doon. De peerde ha-j niet meer zo neudig want de trekkers nammen et oaver.
En noe… et milieu wodt inens belangrieker, d’r wodt weer stukken land terugge egeven an de natuur. Biologisch boeren, zonder kunstmest geet steeds belangrieker wodden. De paddepoelen wodt weer uut egraven. En inens liekt Amerika neet meer zo wied weg. Iederene hef telefoon en trouwens met ’t vliegtuug bun ie-j ’r zo. Ze bunt al op de maone ewes maor ie zölt zeen dat ze straks weer op vekantie wilt naor Zeeland.( Dit laatste vulde Tiny aan die dat stukje weer had onthouden.)
Zo besloot ze haar speech.

Daar moest ik ineens weer aan denken na al het nieuws over de klimaatplannen van de EU èn de veranderingen die dat voor de boeren met zich mee gaat brengen.

Foto: Bij ons 25 jarig huwelijksfeest in 1990 maakte Ben deze foto. Pa en tante Gerritje rechts, links moeder van der Kolk en tante Catrien.

Veranderingen Meer lezen »