Weblog2

Vrijdag, 23. Juli 2021 - 20:25 Uur
Bervo en Sjoerd 2

De oude Triumph

Wat mij betreft, het zien van deze prachtige natuur maakte mij week. Ik dacht aan de bergachtige landschappen die ik eerder zag. Ik haalde diep adem en keek rond terwijl de tranen over mijn wangen stroomden. Sjoerd en ik dachten hetzelfde en waren dankbaar om dit alles liet te mogen zien.
We naderden Ripon en nu zou blijken of die oude Triumph motor in staat zou zijn ons tegen de sterke hellingen op te trekken, want hier stond een waarschuwingsbord: Dangerous steep hills, narrow bridge. Maar de oude Triumph motor die misschien wel blij was om weer in zijn vaderland terug te zijn, vloog letterlijk tegen de berg op. Ik kon nog net een traan onderdrukken toen ik aan zijn vorige eigenaar dacht, die in zijn leven veel goeds had gedaan en nu in een sanatorium voor longzieken lag weg te kwijnen.
In het hooggelegen Ripon konden we ver kijken en konden de kreten van bewondering niet onderdrukken. In de verte zagen we weer groene velden met vee, afgewisseld met goudgele graanvelden terwijl de dalende zon haar stralen over dit heuvelachtige landschap liet glijden.
Na de motor van de nodige brandstof te hebben voorzien reden we verder tot Barnard Castle, een schilderachtig dorp met een heel groot oud kasteel. De rotsen werden al hoger en er wrong zich een rivier bruisend tussen twee geweldige rotsmuren door om dan kletterend naar beneden te storten. Terwijl we dit natuurschoon bewonderden kregen we dorst en zagen dichtbij een kantine dat door een aardig meisje werd bediend en we besloten daar onze dorst te lessen. We waren onbekend met de soorten drank hier en besluiten haar raad op te volgen en voor een paar shilling een drank te kiezen dat een balsem voor onze kelen zou zijn. We dachten er al gauw hetzelfde van: Het was niet verkeerd, maar het was een soort dropwater waar je hoestende kinderen mee naar bed stuurt en besloten in het vervolg alleen thee en water te drinken.
Het was bijna avond en we begonnen uit te kijken naar logies voor de nacht. Een hotel kwam niet in ons brein op, dus we gingen maar eens bij een boer vragen. Sjoerd meende dat ze ons soort geen onderdak zouden willen geven. Ik dacht dat het wel zou gaan, ik had in mijn leven al meer rondgezworven en altijd wel een plekje gevonden.
Dichtbij Romaldkirk klopte ik aan bij een boerderij met veel bijgebouwen zoals schuren en hooibergen. Een oude vrouw met een gezicht met een kleur als levertraan, deed de deur open en als ik mijn forse lichaam er niet tussen had gedrongen het meteen weer zou hebben gesloten. Ik vertelde ons doel terwijl zij aan een ketting trok waarop een ruige hond tevoorschijn kwam die meteen begon te blaffen. Meteen strekte ze haar magere arm uit als wijlen Ursula de heks grijnzend met haat anderhalve tand en zei: ’Aan schooiersvolk geven wij geen logies’. De ruige hond sprong hoog tegen me op en Sjoerd riep meteen: ’Heb ik het je niet gezegd?’ Ontmoedigd dropen we af en beklommen de motor en reden het dorp door in de hoop op meer succes. Na 20 minuten kwamen we langs een weide met een paar hooimijten. ‘Kijk Sjoerd’, riep ik, ‘ons nachtlogies’. Sjoerd maakte nog bezwaar en mompelde nog over hooikoorts, maar het was bijna nacht en we moesten maar van twee kwaden de beste kiezen.
Tien minuten later lagen we al in het hooi en ik was nogal nijdig toen Sjoerd me bij de arm greep en naar het weidehek wees. Inderdaad, de toestand leek niet best. Daar waren twee lichten op de weg en we hoorden stemmen. ‘Die oude heks heeft ons het hele dorp op de hals gestuurd’, meende Sjoerd. ‘Ze jagen ons hier weg’.
‘Dat nooit’, zei ik, ‘hier Sjoerd, heb jij een hark, ik neem de bahco sleutel en we verdedigen ons tegen dit volk’. De dorpsbewoners dropen echter langzaam af en wij konden verder slapen. Sjoerd rolde zich onophoudelijk heen en weer, hij werd geplaagd door de muggen. Plotseling sprong hij op: ’Bervo, wat is dat?’ Er klapwiekte fladderend iets vlakbij Sjoerd.
Ik zag het meteen. ‘Sjoerd, maak je niet bang, het is een vleermuis’. Eindelijk vielen we in slaap.
We werden wakker door de natte nevel en dat dwong ons om onze verstijfde ledematen te rekken om ze weer lenig te krijgen. Snel stapten we op en vertrokken zonder te eten tot we een plekje zouden vinden om ons iets te eten te maken. Na een uurtje rijden kwamen we bij Jad- Mois, een onaanzienlijk stadje aan de rand van een woest en bergachtig landschap.
Als we geweten hadden hoe groot dit onherbergzame landschap was hadden we eerst onze inwendige mens wel verzorgd. Zo gingen zorgeloos we dit Moor in zoals de Engelsen zulke streken noemen. Het landschap werd woester en eenzamer. De weg smal en gevaarlijk, woningen (hutten slechts) schaars. Hier en daar zocht een kudde bergschapen hun karig voedsel. Ze liepen zelfs op de weg en keken verwonderd naar ons, hoe wij als brutale Hollanders het waagden om hun domein te betreden.
De natte nevel van die morgen was intussen overgegaan in motregen wat de omgeving nog triester maakte. Het belette ons niet om onder de indruk te komen van dit schilderachtig mooie landschap.
Dan, plotseling op een kale heuveltop, begon de motor te zuchten om even later met een laatste snik midden op de rotsige weg stil te staan. Daar stonden we dan, eenzaam en ver verwijderd van stad of dorp, zonder benzine.
‘Ach Bervo’, riep Sjoerd, ‘wat nu?’ Met kennersblik had ik de omgeving gemonsterd, we stonden op een 500 m hoge heuveltop. Dus even de motor op de vrijloop, een duwtje en heerlijk rolden we er af. De volgende kleine heuvel kregen we bijna en daarna rolden we er weer de helling af, tot we eindelijk bij een sober huisje kwamen en van de bewoonster, een herderin, wat petroleum kregen.
Er was nog een drupje benzine in de tank. Dat bliezen we in de carburator en hierop konden we starten. Gauw de petroleum erbij in en voort ging het. Zonder verdere ellende kwamen we in Brampton en hier konden we tanken en hadden gelegenheid om te eten. We kochten een stuk brood en een pot thee in een soort pension, naast de winkel van een antiquair.

Onze motor, gepakt en gezakt hadden we bij zijn winkel gezet. Woedend reageerde hij hierop en probeerde de motor te verzetten. Hij was maar kleinen tenger en balde zijn vuisten naar ons toen het niet lukte. Wij lieten ons niet van de wijs brengen en lieten ons het eten goed smaken.
‘Wil je wel geloven’, zei Sjoerd,’ die vent wil onze oude motor in zijn winkel hebben als antiquiteit’. Inderdaad zou het ding geen gek figuur slaan in zijn winkel waarin allerlei rariteiten stonden uitgestald. Maar wij konden hem niet missen, we bestegen ons ros en zetten onze tocht in snel tempo voort Tegen de middag bevonden we ons weer midden in de heuvels, dit keer was alles begroeid met gras en loofhout. Bij een riviertje dat 300 m van de heuveltop af kwam kletteren, stopten we. We hadden ons nl. nog niet gewassen en wilden we ons ook nog scheren voor we in Edinburgh kwamen. Hier hadden we een mooie gelegenheid. De spiegel van de motor zetten we vast tussen een paar klipstenen en ziedaar onze badkamer en scheersalon was klaar, een geweldige gelegenheid in de open lucht.
Daarna maakten we onze maaltijd klaar van een blik Hollands crisis rundvlees en maakten nog een paar foto’s van de bergschapen die hier rondliepen op de weg tussen de heuvels. Dan ging het verder richting Edinburgh dat we tegen 8 uur ’s avonds bereikten.

Donderdag, 22. Juli 2021 - 19:09 Uur
Bervo en Sjoerd

Gisteren brachten we een bezoek aan Gerke en Wim. Gerke is mijn nichtje waarmee ik opgroeide. Steeds hielden we contact en vaak gingen we onderweg naar Schiphol of Bergen bij hen aan. Het kwam er de laatste tijd niet van maar nu kon het weer. Alle 4 zijn we ingeënt tegen corona en Wim rijdt allang weer als een tierelier. Het was een gezellig weerzien en we haalden herinneringen op aan de tijd dat we tijdens een jeugdkamp haar Wim ontmoetten. We waren nog jong maar Gerke maakte zoveel indruk op Wim dat het later wat werd en nog steeds gebleven is. Toen de eerste brief van Wim aan oudste dochter Gerke bij de familie op de mat viel was de reactie van vader Sjoerd: ’Daor begint het gesodemieter al’
Toen ik opzij keek zag ik tot mijn verrassing een mapje met de bekende foto van Bervo en Sjoerd voorop. Het was een dagboekverslag van hun reis op de motor door Engeland en Schotland in 1935. Ik had er vaak van gehoord maar wist niet dat het een en ander ook was vastgelegd.
Ik werd ogenblikkelijk nieuwsgierig en ja, ik mocht het lenen. Ik ben het aan het overnemen en wat bijschaven. Het blijkt een enerverende reis van de beide vrienden. Ik kan jullie laten meegenieten en je krijgt het in hapklare brokken voorgeschoteld. Geniet ervan!

De Melrose Abbey
Met lang gerekte halzen stond het merendeel van de passagiers van de Melrose Abbey, het stoomschip dat de zomerdienst onderhield van Rotterdam- Hull, uit te kijken of ze nog geen land zagen. Want hoe interessant een zeereis ook mag zijn en hoe mooi de altijd rusteloze zee ook is, hetzij de golven die huizenhoog op en over het schip slaan of dat ze zo stil is en de onafzienbare watervlakte bijna spiegelglad, toch verlangen de reizigers altijd naar de kust.
Zo was het ook met ons die een vooruitzicht hadden een interessante motortocht te maken door midden Engeland en de Schotse Hooglanden, te danken aan mijn kameraad Sjoerd die hoewel het zijn eerste zeereis was zich met moeite kon losmaken van het zicht op de zee.
Toch riep hij:’ Land in zicht’. Inderdaad zagen we de Engelse kust oprijzen en we spoedden ons naar onze hut om onze bagage op te halen en naar boven te brengen. De loods kwam al aan boord om ons veilig door de ondiepten van de rivier de Humber tot in Hull te brengen. Al gauw lag de boot voor anker aan het Prince Dock, een van de vele aanlegplaatsen in Hull.
De douane kwam aan boord om onze passen de controleren en vooral om nauwkeurig te onderzoeken of we bevoegd waren om op de Britse eilanden een motor te besturen.
Inmiddels was onze motor al aan land gebracht net als de twee auto’s van toeristen, die een betere indruk maakten dan die oude motor van ons en onze eenvoudige reiskostuums. Ons Engels was blijkbaar beter en konden we de andere toeristen helpen met de afwikkeling van de reispapieren bij de douane.
Onze eerste rit zou naar de Paragon garage gaan midden in de stad Hull. Daar moesten we opnieuw allerlei vragen beantwoorden en tal van formulieren invullen omdat we in Engeland verzekerd moesten zijn. Opnieuw hadden we voorsprong op de andere toeristen door onze kennis van de Engelse taal en zeker een uur eerder dan de anderen konden wij verder met de reis. We verlieten de Paragon Garage om steeds links rijdend dwars door de stad Hull de weg in te slaan naar het 20 km noordelijker gelegen Beaverly.
Eenmaal gewend aan het links rijden zetten we de vaart er goed in. Het was immers al 4 uur in de middag en we wilden voor de avond nog 120 km verder richting Edinburgh, de Schotse hoofdstad. Zo reden we snel zonder te veel op de omgeving te kunnen letten.
Toen we plotseling dichtbij het stadje York doemde er een vrij grote rivier voor ons op. Met een ruk en een heftige trap op de rem zette ik de motor stil en riep: ’Sjoerd, kijk, water, laten we gaan zwemmen’. Doch wonder boven wonder, Sjoerd de geboren waterrat had geen zin. ‘Geen tijd’, zo meende hij. ‘Bovendien krijgen we nog genoeg gelegenheid om te zwemmen, water genoeg in Engeland’. Zo besloten we maar door te snellen, we twijfelden er niet aan dat we een plek voor de nacht zouden vinden om onze vermoeide en verreisde ledematen in een verfrissend bad te kunnen verkwikken. Helaas, het werd een teleurstelling. We moesten nog honderden kilometers moeten afleggen voor we weer een gelegenheid zouden krijgen om te zwemmen.
Maar we werden afgeleid toen we het stadje York naderden. Misschien bieden de opgravingen van de steden Herculaneum en Pompeiï aan de voet van de Vesuvius meer verscheidenheid en genot aan oudheidkundigen. Sjoerd en ik, mensen van nieuwere tijd, waren verbaasd om zoveel oude kerken, trotse kastelen, oude gevels en half ingestorte bruggen te zien in dit stadje York.
Ik had er de hele avond wel willen blijven om alles te bekijken, maar Sjoerd porde mij aan. Hij verlangde meer naar natuurschoon, naar rotsen en bergen. Deze oude gewelven deden hem niets.
Dus nu verder naar het noorden, de eerste van een hele reeks rijen heuvels tegemoet die ons nog scheidden van Edinburgh, Schotlands hoofdstad.
Toen ineens nadat we Borough-bridge waren door getuft, veranderde het landschap. Was het tot nu toe steeds vlak geweest met slechts enkele heuvels, nu we Ripon naderden zagen we de eerste rotsgebergten, soms glooiend dan weer torenhoog voor en naast ons oprijzen. Sjoerd kon zich niet inhouden en met een kreet van bewondering en zwaaiend met zijn muts riep hij met jeugdige onstuimigheid ‘Bervo, hoera, het begin van de Hooglanden’.

Foto: Stoomschip Melrose Abbey

Maandag, 19. Juli 2021 - 11:30 Uur
Geert Hanken

Geert Hanken is zijn pseudoniem. Hij schreef regelmatig over wat hem bezig hield en wat hij in zijn leven al meemaakte. Zijn leven lang was hij boer in Zuidbarge en de Hankenberghoeve was zijn plek, maar nadat zijn zoon het overnam, verhuisde hij met zijn Annie naar een appartement. Ik heb me laten vertellen dat hij daar in de Emmerhout goed werk deed door het winkelcentrum netjes te helpen houden. Dat was niet genoeg. Henk Siebring moest de buitenlucht en de natuur voelen. Hij heeft nu al jaren een volkstuin, wat zeg ik… hij heeft 7 van die stukken aaneen. Die dag, nu al 10 jaar geleden, ging ik bij hem kijken. Ik vroeg aan een buurman tuinier of Siebring hier zijn tuin had. ‘O… die oude boer? Daar bij die bloemen. Hij is er net’. Ik vond hem druk bezig met de schoffel.
’Het is gebeurd met hazen vangen’ zei de voormalig boer en jager. Dat mag ook wel als je 88 bent. Overal in zijn tuin stonden stoelen om even te gaan zitten uitrusten en mijmeren. Hij liet me zijn kunstwerk zien, zijn kruizenveld, allemaal van buxussen, want Henk was een gelovig mens. De kruizen wezen allemaal naar een blauwe winde die zich naar de boven kringelde, naar de hemel. Een paar oude schuurtjes had hij namen gegeven als Erica’s kas en loods Zuidbarge en hij heeft er een oude cabine van een vrachtauto staan waar hij Rij maar an op heeft gezet.
Och… we hadden een aangenaam half uurtje. Rick heeft ooit stage bij hem gelopen op de Hankenberghoeve en hij herinnerde zich hoe ik een keer in hun buurt bramen ging plukken, eigenlijk om te zien hoe ze samen aan het aardappels rapen waren. Hij had me door.
Hij had er een heel veld met mooie kerstdennen staan. Eind november kon je er voor € 5 een uitzoeken en er je naamkaartje zolang aan ophangen.

Donderdag, 15. Juli 2021 - 22:22 Uur
Veranderingen

Nu de klimaatcrisis serieus aan de orde is en de boer die zijn land naast ons heeft ook biologisch gaat boeren moet ik terug denken aan de speech van tante Gerritje, ik denk dat het op haar 85e verjaardag was op 4 juli. Dat is intussen ook al 20 jaar geleden.
Tante Gerritje hield haar verjaardagsfeestje bij hotel Bakker, als ik me goed herinner, en hoewel pa al overleden was in 1995, hoorden wij als Egginks-familie daar toch steeds bij. Toen de hele familie binnen was en de koffie met lekkers naar binnen gewerkt wilde tante Gerritje iets zeggen. Ze kwam zelfs in de benen en begon:
Ze zei: ’Ik doo ’t maor in mien moderstaal, dat geet mien 't makkelijkste af. Dan kö-j precies zeggen wa-j bedoelt. Eén van de kinder van Berdie zei mien es:’Mama praat altijd Nederlands met ons, maar als ze een keer goed kwaad wordt gaat ze verder in het Achterhoeks’. En da’s gien wonder, daor bu’j met op egruuid.
In dee 85 jaor van mien leaven heb ik völle zeen veranderen. Alle stukskes land dee d’r waren mossen benut wodden. De kolken wodden dichte egooid. A’s d’r ene ging emigreren naor Amerika of Canada dach ie da-j mekare nooit weer zollen zien. Ik hebbe de 30er jaoren met'emaak waorin de keune niks meer weerd waarn. Ik moche met mien vader naor de markt, met 12 keune ginge wie-j d’r hen en met dattiene kwamme wie-j d’r weer umdat ene boer lever zonder keune thuus kwam dan met. De kunstmest kwam en d’r kon steeds meer verbouwd wodden. De oorlog heb ik met emaak en ik dache an ’t ende d’r kan wel heel völle veranderen straks, maor de roggemealse pap zölle wie-j altied blieven etten. Ik heb et nog ene keer weer epruufd en nao dee tied nooit weer. De auto’s kwammen en de machines en ze hadden minder mensen neudig um ’t wark te doon. De peerde ha-j niet meer zo neudig want de trekkers nammen et oaver.
En noe… et milieu wodt inens belangrieker, d’r wodt weer stukken land terugge egeven an de natuur. Biologisch boeren, zonder kunstmest geet steeds belangrieker wodden. De paddepoelen wodt weer uut egraven. En inens liekt Amerika neet meer zo wied weg. Iederene hef telefoon en trouwens met ’t vliegtuug bun ie-j ’r zo. Ze bunt al op de maone ewes maor ie zölt zeen dat ze straks weer op vekantie wilt naor Zeeland.( Dit laatste vulde Tiny aan die dat stukje weer had onthouden.)
Zo besloot ze haar speech.

Daar moest ik ineens weer aan denken na al het nieuws over de klimaatplannen van de EU èn de veranderingen die dat voor de boeren met zich mee gaat brengen.

Foto: Bij ons 25 jarig huwelijksfeest in 1990 maakte Ben deze foto. Pa en tante Gerritje rechts, links moeder van der Kolk en tante Catrien.

Zaterdag, 10. Juli 2021 - 10:51 Uur
Peerdemarkt


De markt in Hengelo G was bekend als een gezellige gelegenheid om mensen te ontmoeten en paarden te zien. Pa ging er altijd heen en wij ook. Op de Achterhoekse Spreukenkalender van een paar jaar terug kwam ik dit stukje tegen van Eddy Geurtsen en voor wie die kalender dit jaar niet bezit zou ik zeggen: Nemt der van....
Marktdage brachen altied ’n hoop vertier in et anders zo röstige Hengel. Der kwam altied een hoop volk op af. Heel wat knechts hadd’n met de baas af-esprokken dat de Hengeler marktdag gien werkdag was.
Der wier völle edronken en dat zörgen der veur da-j nog es wat met konn’n maken. Graads van Zeevalking was ok naor de Hengeler karmesmarkt ewes op ’n tweeden woensdag van juli en hee had daor meer ehad as klaor water. Hee was nog wel zo helder ewes dat e had edach dat ’t niet verkeerd zol wean um veur de vrouwe wat met te nemm’n. Naodat e zien ankoop goed had opeborgen was e an de thuusreize begonn’n. Net buten ’t darp was zien naober um met peerd en wagen achterop ekommen. “Wo-j met riejen, Graads?”
“Da’s goed, holt effen an, dan klim ik bie’j op de wagen.”
De buurman vroeg: “Wat rammel iej toch, Graads! Wat he’j in de tesse?”
“Ik hebbe de vrouwe zes köpkes en schötteltjes ekoch, die he’k in de tesse”. Met dat e dat zei, sloeg e zich met de vlakke hand op de boksetesse.
Den naober zei tegen Graads:”A’k ow wazze, gooien ik ’t grei hier in de graven, ’t is allemaole an barrels.”
“Zes köpkes en schötteltjes he’k ekoch veur de vrouwe en zes köpkes en schötteltjes breng ik eur met” en hee sloog zich nog es met de vlakke hand op de boksetesse.

Tot mijn spijt heb ik gelezen dat de paardenmarkt na 355 jaar er mee stopt wegens te weinig aanvoer van paarden.

Foto: En wanneer ik deze mooie foto van de Paardenmarkt uit de jaren '70 of '80 van Henk Braakhekke bekijk is het net of ik vader Hein er tussen zie lopen...

Met dank aan Henk Braakhekke

Oudere bijdrage

Aanmelden